Tranen naar de hemel

De laatste 48 uur heb ik meer tranen geplengd, dan in dit hele voorafgaande jaar. Want gedurende kerstavond sloot ik per ongeluk poeslief op in mijn badkamer. De volgende morgen ontdekte ik het pas, en op zo’n moment verfoei en vervloek ik mijn slechthorendheid pas echt. Poes strompelde de badkamer uit als een dronken mannetje.

In eerste instantie dacht ik nog, dat ze zelfstandig had geprobeerd op de deurhendel te springen, om zichzelf te bevrijden uit de badkamer, en zich daarbij bezeerd had.

Omdat ik kerstontbijt zou vieren, elders, moest ik weg en schonk er verder niet te veel aandacht aan.

Die avond kwam ik vroeg thuis. Na de gebruikelijke volvreterijen nam ik me voor die avond voor pampus te gaan liggen. Maar na één blik op poeslief wist ik, dat het foute boel was.

Ze leek steeds weer te proberen te lopen, maar zakte door haar achterpoten, wat leek op verlamming. Ik vermoedde, ook mede omdat ze zo ontzettend in de war leek, dat ze een hersenbloeding of -infarct had gehad. Ze wilde niet eten, maar wel een weinig drinken.

Gedurende de uren die volgden kwam poeslief ook nog in ademnood, waardoor ik niet snel genoeg naar die verrekte telefoon kon grijpen om een dierenarts te bellen en gelijk die afspraak te maken.

Onze dierenarts, echt een dame met hart voor het beest, wist me met één blik op Spooky, al te vertellen dat de situatie er niet best voor haar uitzag. Dat was eigenlijk louter mijn eigen bevestiging. Al hoopte ik tegen beter weten in, dat die arts wondermiddelen bezat of dan tenminste nog poeslief beter kon toveren. Helaas had ze die andere opties.

Uitzoeken wat de misère veroorzaakt, wat haar leven met misschien extra morfine en overige medicatie iets beter maakte voor 2 à 3 dagen. Of de confrontatie aangaan met die geduchte genadespuit, als in geassisteerde euthanasie.

Ik koos voor het laatste. Hoewel mijn hart brak. Mijn tranen zaten de afgelopen dagen toch al zo hoog, en ik heb het gehele proces met recht half-instortend maar niet van wijken willen weten en met doorweekte ogen aangezien.

Poeslief zit hopelijk nu – na haar crematie – ergens op een wolkje te kijken naar hoe haar broerlief en ik ons desondanks moeten weten te redden.

Het is als nooit tevoren zó stil in huis, want haar continue gebabbel als in gemiauw gedurende de dag, vulde mijn huis altijd met veel plezier. We hadden elkaar samen altijd heel wat te vertellen, al wisten we dan volstrekt niet waar de ander het over had of konden we zelfs maar vermoeden wat die ander bedoelde. Ze was altijd vrolijk, aanhankelijk en wist zich om mijn vingers te winden. Met recht.

Ik zweer, nooit eerder was er zo’n lieve poes.

Nooit eerder – en ik heb er nu zo’n 3 moeten laten gaan – had ik het gevoel dat er zo’n lotsverbondenheid tussen mens en dier kon bestaan. Ze blijft in mijn hart, en ook een beetje hangen aan mijn ziel.

In anno review (gezondheid, liefde, carrière)

Deze review van het afgelopen jaar pen ik, terwijl de appeltaartgeur mijn neusgaten binnendringt. Het is de dag voor kerstmis en daar word ik altijd weer wat melancholisch van. Ik denk terug aan al die jaren dat kerst grote drukte betekende, voor mij en de mijnen. Dat is wat ingekakt. Helaas, mijns inziens. Ik zou de kerstdagen en nieuwjaarsnacht liefst in algehele dronkenschap doorbrengen. Met lekkere snacks in het vooruitzicht, in groot gezelschap met een aanzienlijke hoeveelheid menselijke input. Dat, terwijl iedereen het tegenwoordig liefst zo klein mogelijk viert.

Gezondheid

Behalve een ingezakte ruggenwervel en hogere scoliose – waardoor het lijkt alsof ik, als ik lang sta, bijkans door mijn gestel zak bij lang staan – heb ik qua gezondheid niets te vrezen. Ook mijn Philips (geh)oorbellen zijn dit jaar met succes vervangen. Al wil die eeuwige evenwichtsstoornis me nogal plagen, zo af en toe. Ik slaap goed (dank u). Ik eet gezond. Beweeg me suf.
En ook qua psychische constitutie gaat alles me – sinds jaren – beter af. Waarschijnlijk omdat mijn dagelijks leven voldoet, qua diepgang en emoties. Ik voel me (helaas) af en toe godsgruwelijk volwassen. En merk op dat, na die verrekt lange poos van ‘soul searching’ de afgelopen paar jaar, dit in mijn voordeel werkt. Mijn ziel bevindt zich na járen dan ook eindelijk op de juiste plek.

Liefde

Qua liefde doe en deed ik afgelopen jaar niet veel moeite (nog steeds niet) om een maatje te vinden. Ik denk dan altijd maar: je moet eerst leren van jezelf te houden en het geluk te vinden binnen jezelf, voordat je jezelf in de schoot werpt van die ander en hem smeekt jou gelukkig te maken. Ik weet – uit ervaring – dat een vent zulks niet intuïtief aanvoelt, maar wel snapt – door middel van de heersende vibraties – hoe het werkelijk met je is gesteld.
Er gaat bovendien iets troostends uit van ‘alles zelluf moeten’ doen. Het geeft me steeds weer dat kleine duwtje. En ook meer zelfvertrouwen. Mijn eigenliefde en -dunk zijn me duidelijk meer waard.

Carrière

Eén van mijn goede voornemens is mijn werkgebied als vrijwilliger in webdesign nog meer uit te breiden. En anderen, waar nodig, nog méér bij te staan met computerproblemen. Uit de dankbaarheid die ik daaruit ontvang, zo ontdekte ik het afgelopen jaar, haal ik veel meer voldoening dan ik ooit voor mogelijk had gehouden. Zelfs meer dan uit mijn grootste hobby, de schrijverij.

Al zit een baan bij een werkgever er voorlopig nog niet in, dankzij mijn fysieke gestel. Terwijl ik het bijkomende salaris dan wel weer goed zou kunnen gebruiken. Then again, ik leer nu steeds beter met weinig tevreden te zijn. Het aan leren van die kunst had ik zo’n twintig jaar geleden nooit voor mogelijk gehouden. Maar enkel en alleen maar plezier hebben in mijn werk kán. En mag ook.

Al met al was 2019 eigenlijk niet eens zo spectaculair. Maar het was wél een jaar waarin ik meer tot mezelf kwam. En mijn ego ook eens liet spreken, tot grote schrik van menigeen. Dat alles ga ik maar eens flink overdenken, vanuit mijn giechelspot.

Deze blogpost verscheen ook op hoevrouwendenken.nl.

#WOT deel 51: kaars

Het is kerstavond 2019. Met een zucht van voldoening neem ik plaats achter mijn computer. Volmaakte donkerte omarmt me, behalve dan één brandende kaars. Die bevindt zich op de schouw naast me, met het oog op mijn feline vriendjes. Die zijn nogal nieuwsgierig van aard, moet je weten. Het zou niet de eerste keer zijn, als ik weer eens een kattenstaart moet redden van de fik en moet blussen.

Hoewel ik het altijd weer fijn vind om kaarsjes aan te steken. Er schuilt een bepaald soort mysterie achter dat branden en in dat licht. Je kunt úren staren naar een kaars, zonder werkelijk iets te zien, maar des temeer te beleven. Innerlijk. Het lijkt wel alsof een brandend kaarsje je aanzet tot denken. Welnu, er is niets mis met denken, zei mijn opa altijd. Zolang dat met een wijde blik gebeurt, verruimt dat juist je gedachtenspinsels.

Het #WOT-woord van afgelopen donderdag was:

Kaars ~ 1) Attribuut van een heilige 2) Bloeiwijze 3) Bougie 4) Brandbare staaf 5) Brandend voorwerp 6) Eenheid van het meten van lichtsterkte 7) Eenheid van licht 8) Eenheid van lichtsterkte 9) Eenheid van meten van lichtsterkte 10) Eenheid voor het meten van lichtsterkte 11) Illuminatiemiddel 12) Kerstverlichting

Ik kan niet eens goed die gedachten omschrijven, maar het is een soort van serene gewaarwording. Waaruit dan een intense tevredenheid vloeit. Op zo’n moment kan ik innig dankbaar zijn dat ik het leven heb. En mag leiden in de flow waarin het mij gegund wordt. Ik waag het er dan op een soort van geluksgevoel te ervaren. Een tijdelijk sentiment wat op den duur als vanzelf dooft. Een kaars heeft immers ook niet het eeuwige leven.

Zolang die kaars brandt, blijft mijn hart een beetje warmer.

#WOT betekent Write on Thursday. Iedere donderdag verzint Martha een woord waar je over mee kunt schrijven (bloggen, vloggen of ploggen). Niets moet, alles mag. Je kunt op ieder moment dat je wil instappen. Oorspronkelijk begon Karin Ramaker met de #WOT. Na wat omzwervingen via moi en Hendrik-Jan, kwam de #WOT uiteindelijk bij Martha terecht. Zij schrijft de #WOT nu sinds 2014. Hier vind je alle #WOT’s vanaf 2014.

Waarom Pix een denkbeeldige Kerstboom heeft

Sinds de komst van mijn feline vriendjes in dit reeds wat chaotische huishouden, heb ik mezelf altijd verteld een geldig excuus te hebben om die Kerstboom dan maar op te tuigen in mijn fantasie. Want die eerste keer, dat ik het wel deed, kon je er op wachten natuurlijk.

Sammie, de meest brutale van het stel, zat op een afstandje te kijken hoe ik die dag voor Kerstmis een echte Blauwspar naar binnen haalde en installeerde. Vervolgens hoe ik dat verlichtingssnoer een beetje ongeduldig uit elkaar friemelde, want die ‘dingen’ zijn altijd weer een bron van ergernis (hoe ruim je dat ook netjes op?). Hoe ik een piek halfslachtig balancerend op de trap op die boomtop manoeuvreerde. En de overige prachtig blinkende en kitscherige rode en gouden ballen erin hing. Ik had niet eens door, dat Sammie een memorabel moment uitkoos om die boom eens nader te onderzoeken.

Natuurlijk had ik die Kerstdagen mijn schoonfamilie uitgenodigd voor een heus 6-gangen-diner. Ik vind het altijd geweldig om een hele dag in de keuken bezig te zijn. Echter, dit keer was ik een weinig nerveus. Die eerste ontmoeting met di toekomstige schoonouders was een weinig en heikel moment voorzien van akelige stiltes tussendoor. Normaal kan ik daar wel doorheen prikken, maar ik proefde – vooral van de aanstaande schoonpappa – wat onwil. Nu hadden de beste lui voorheen al zo’n 4 schoondochters het doopceel geschonken en vroeg ik me nadien af, waar die ongezellige natuur toch vandaan kwam. Niet van mijn ex, die was altijd de gezelligste thuis blijkbaar.

Je wil natuurlijk die eerste keer dat je mensen uitnodigt voor een Grand Diner een goede indruk achterlaten. Dus was ik die hele maand december al bezig geweest om mijn huis spic en span te kuisen. Werkelijk alles moest eraan geloven. Achteraf bezien, weet ik nog steeds niet of ik me die moeite werkelijk had moeten getroosten.

En toen kwam die belangrijke Eerste Kerstdag. En belden die schoonouders aan mijn deurbel, waarna ik ze maar gauw binnenliet, en een kleine bezichtiging gaf van mijn honk. Ik installeerde ze vervolgens netjes en gaf di schoonpappa mijn beste fauteuil en een flinke borrel. Terwijl ik over mijn bar heengluurde hoe de beste mensen de toko op zich innamen, zag ik hoe Sammie een aanloop nam.

En een grootse sprong waagde richting mijn prachtige Kerstboom. En terwijl hij de boom belaagde, viel de boom natuurlijk achterover, precies over het hoofd en de schouders van di zeer geliefde en wat nukkige schoonpappa. En vrijwel gelijktijdig dat de kat over hem heen viel, maakte hij vervolgens rare bokkensprongen om maar weg te komen.

Hilariteit alom, natuurlijk, specifiek van mijn toenmalige ex. Die kon daar wel om schaterlachen. Hij deed niet eens een poging om zijn vader van de Kerstboom te bevrijden. Terwijl ik me spoedde om hem te verlossen van de boom, en een touw te vinden waarmee ik de boom weer vast kon zetten. Ik wrong me in duizenden excuses, natuurlijk.

Toch was daarna het ijs wel voorgoed gebroken.

En het 6-gangen-diner een absoluut succes.

Maar de stomme kat heeft me sindsdien wel genezen van de wil ooit nog een Kerstboom thuis op te zetten. Dan toch maar in gedachten… al wringt het zo af en toe wel.

Men noemt me al mevrouw, tegenwoordig

Ja, ik meen dat deze gruwelijke titulatuur ergens begon toen ik de 45 passeerde. Dan sta je bij een check-out en zegt zo’n jong grietje: “Fijne dag, mevrouw!” En ik ben het er echt niet mee eens. Zo ben ik bijkans de hysterie nabij, en zou zo’n lieflijk meisje wel eens door elkaar willen rammelen.

Want ik vind mezelf nog veel te jong voor zo’n titel. Zelfs nu ‘het nieuws’ piepels die over de vijftig zijn, reeds als “bejaard” bestempelen. ‘Pardon?’, denk ik dan. Ik ben nog altijd die oudere jongere. Althans dat verbeeld ik mezelf nog steeds.

Als ik terugkijk, was mijn 45ste levensjaar zo rond de tijd dat ik het opgaf mijn inmiddels grijze coupe te verhullen onder een donkerder, acceptabeler, tint. Alles om mijn babyface meer richting pokerface te houden, dat snap je.

Ach, bij die eerste grijze wenkbrauwhaar trek je het er nog venijnig en enigszins nonchalant uit. En maak je je verder niet al te druk over je toekomstige vergrijzing. Het was te doen, immers. En bij te houden.

Maar zo rond mijn 26ste levensjaar, reeds, wees mijn toenmalige schoonzusje me er nogal tactisch op, dat mijn haar best een leuk tintje mocht krijgen, zo rond de slapen. Ze bood me zelfs haar assistentie aan, en vanaf die tijd heb ik die verrekte haarverf-industrie vrijwel autonoom in stand gehouden.

Dat hielp. Want ik ben gezegend met een gezicht dat qua veroudering naarmate de jaren vorderen, vrijwel stil is blijven staan. Moet ik alleen niet al te vaak glimlachen, want dan zie je dus wel die verrekte lachrimpeltjes. En vooral niet zuur kijken, want ook dan verschijnen die hachelijke rimpeltjes rond de mond.

Ook make-up wil een eigen leventje gaan leiden, tegenwoordig. Bijvoorbeeld lippenstift, die overal overheen schijnt te moeten verdwalen, waardoor je toch steeds weer oogcontact moet maken met je spiegeltje, om al te grote schade te voorkomen. En lachrimpels die oogschaduw binnen no time adopteert in de meest bizarre uitwaaiingen en overige uitingen.

Het vergt wat ijdelheid hoor, dat ouder worden. Maar je wordt er beslist creatief, oplossingsgericht en levenswijs van. En daar kan zo’n caissière dan toch maar mooi een puntje aan zuigen. Lekker pûh.