Hee hallo… Het valt mij altijd op, dat jij – als notoire huisdiermijder – ons mét, altijd wat viezig bekijkt. Ik zie het al helemaal voor me, jij walgt van die altijd rondslingerende verloren haren, die ongelukkige gevalletjes van kots en ontlasting en vooral het feit dat ik mijn feline vriendjes ’s nachts in bed laat mee slapen. Gewoon in mijn eigen bed. En dat ik soms ineengekropen moet slapen, omdat zij alle ruimte van me inpikken.

Jij vindt het maar raar, dat ik spontaan in een melige proestbui uitbarst zodra een der katten op jouw hoofdkussen springt om een kijkje te nemen tijdens onze vurige seksescapades. Jij wil dat ik ze dan buitensluit, de deur op slot draai, terwijl ik dan zeker weet dat de verf op diezelfde deur z’n langste leven wel heeft gehad. Je snapt absoluut niet, waarom ik het sneu voor ze vindt en binnen no time die deur weer openknal. En dat ik pogingen waag gesprekken met ze te voeren, soms zelfs in hun eigen moerstaal.

Jij weet niets van de pijn van de schrammen die ik opliep toen ze nog kittens waren en tegen mijn benen op klauterden terwijl ik hun eten zo vers uit het blikje in hun etensbakje deponeerde. En dat ze meedenken met me, want als ik sta te koken, ze dan liefst dat net uit hun nest – in die boom in de tuin – geroofde merelkuiken voor mijn voeten neergooien: ‘Dat kan toch zo in de pan?’

Wat jij waarschijnlijk nooit kunt vermoeden, is dat ik des zomers altijd weer beschermd word tegen muizen en insecten die niet voorbij mijn balkondeur binnen kunnen vliegen, anders sterven ze een onaangename speelse dood. En dat ik ’s winters altijd weer warm, met hun gespreide lichaampjes tegen me aan, lekker slaap.

Jij zag waarschijnlijk nooit te diep in die ogen, en ontwaarde daar nooit die onvoorstelbare intelligentie, als ze weten wat mijn stemming vandaag weer is. De likjes die ze je even geven, als lijkt het erop dat ze je daarmee omkopen hun het komende half uur volledige aandacht te schenken. Dat ze spinnen als je ze intenser aait. En dat ze terugkomen voor meer van dát als je ’s morgens wakker wordt, alsof ze blij zijn dat je überhaupt ontwaakt.

Zij maken door hun never ending empathische vermogens dat hun karakters volwaardige plaatsen binnen mijn huishouding in mogen nemen. En dat die karakters van hun vaker wel dan niet net zo veel gewicht in de schaal leggen als die van elk familielid of dat ze door mogen gaan voor een net zo belangrijke vriend of vriendin.

En ja, iets in jouw houding vertelt mij, dat ik daardoor minder kan vertrouwen op jou als mens. Omdat wij, mijn feline vriendjes en ik samen – onafscheidelijk – willen zijn, zoals het mens en dier betaamt.