In dezelfde verdoofde toestand als dat wij destijds afscheid van je moesten nemen, constateer ik met steeds terugkerende proppen in mijn keel dat dit gemis vandaag reeds vijf jaar duurt. Vaderloos zijn is alsof een wezenlijk onderdeel van je lichaam ontbreekt. Zo voelt dat. Want ik denk steeds vaker dat met jou duizendenéén hersencellen het leven lieten, als was het louter een symbolisch gebaar.

Nog steeds kan ik danig hunkeren naar je gortdroge humor en je pretoogjes die dat verrieden. Dat zachtmoedige gebaar als je mijn knie vasthield. Je verwoede pogingen in de keuken om ons toch ooit eens een gelúkt Kerstbrood voor te schotelen. Soms grinnik ik, als ik besef dat ik mijn eigenzinnigheid in het kokkerellen niet van een vreemde heb, en al die andere eigenschappen die ik stilzwijgend van je meekreeg.

Soms mis ik dat bijzondere van onze gelijkenis te kunnen delen met jou enorm. En nog steeds doemen die momenten op wanneer je ze het minst verwacht.

Soms kan ik je stem en je schaterlachen weer horen. Vaker wel dan niet hoop ik dat de deur opengaat en je weer gewoon binnen zult stappen. En dat we dan samen van dat biertje en nootje even weer tha good ol’ times mogen herbeleven.

Soms laat je je heel even zien in een andere vorm – als veertje – en weet ik dat je toch ergens een deurtje openhoudt.

Ik kan me herinneren dat ik vroeger dacht, dat als je ouder wordt het leven dan toch wel fluks makkelijker zou worden. Het tegendeel is waar; het verlies is Radicaal. De tranen: Oprechter. De herinneringen: Uitbundig. En het gemis: Wreed. Als in rouw…