Ik stapte in bad, met een magazine of twee, met een teveel aan bubbels en olie. En lag daar totdat het water ijs- en ijskoud werd. Dat heb ik eigenlijk nooit zo door, totdat ik mezelf in bed wurm, nadien.

Water is soms het enige antwoord op een lange dag aan ver- en bemoeienissen. Dan wil ik liefst niets anders dan een bad. En ik maak daar dan een ritueel van. Eerst de reeds lang uitgelopen make-up verwijderen. Mezelf scheren, want oh hemel, nergens anders dan op mijn brein zal een haartje teveel te zien zijn. En mijn benen scrubben, dat ook.

Vrouwzijn is nog een heidense klus, dacht ik bij mezelf.

Daar lag ik, tussen mijn badeendjes waar ik mee speel en doe alsof ik nooit enige staat van volwassenheid heb bereikt. Daar ben ik thuis. Het water mag me verwarmen, de bubbels mogen me reinigen, en de olie… Tja, daar ging het mis.

Want je moet ook dat bad weer uit. En wonder boven wonder, mijn linker arm mét blessure wilde niet meewerken. Ik kreeg mezelf – hoe dan ook – niet opgetild uit dat bad, zonder pijnscheuten omdat een ontsteking ergens teveel pijn veroorzaakte. Na enkele manhaftige pogingen om toch uit dat bad te stappen, gaf ik het op.

Plots zag ik visioenen. Dat ik de volgende dag naakt in bad gevonden zou worden. Hartstikke dood. Verdronken omdat ik in slaap was gevallen. Of dat ik het bad leeg moest laten lopen. En moest wachten totdat het bad droog genoeg zou zijn om mezelf een veer in de reet te geven.

Ik had dus die twee opties. Dat schuurt. Maar…

Ik zou ik niet zijn als ik mijn rechterarm niet dwong tot iets wat lijkt op een bovenmenselijke prestatie. Ik steunde op mijn ene arm, forceerde mijn stijve spierbundels in de benen, en plaatste die onder mijn kont, vergezeld van een enorme oerkreet.

Toen, plots, stond ik. Ik grijnsde eens richting mijn badeendjes en wist dat dit ons laatste momentje samen was geweest.