Het is nog vroeg. Ik zit à la balconia in de schaduw, omdat mijn positie – ik kijk richting het Zuidwesten – dat tot een uurtje of twee ’s middags toestaat. En lummel hier een beetje, omdat ik vind dat ik ook die Kunst ooit moet leren beheersen.

De horizon kleurt blauw voor zover mijn ogen kunnen zien. Mijn olijke parasols wapperen mee met het nu nog zachte windje.

Ik heb als nooit tevoren me voorgenomen van het weer te genieten wanneer het maar kan.

Ik zie van alles, buren die druk doen, alsof het belangrijk is de boodschappen nog vóór het middaguur binnen te slepen. Ik zie een kalme postbode voorbij jakkeren, met het zweet reeds op zijn voorhoofd. Buren die komen en gaan. Buren die even zwaaien. Ongegeneerd bekijk ik hun en laat alles aan me voorbij trekken.

Achter het gebouw recht voor me ligt een sloot met bruggetjes wat leidt naar het park, vandaar de vogels die steeds weer in de lucht cirkelen.

Een studie van vogels die vliegen en hoe ze vliegen, schenkt me voor heel even weer dat gevoel van synchroniciteit. Zo vrij mogen fladderen. Je vleugels alleen hoeven bewegen als het strikt noodzakelijk is. En verder louter zweven. Totdat er snelheid moet worden gemaakt of van richting veranderd.

Ze zijn ook niet gek, hoor. Op het warmste moment van de dag strijken ze neer, om even de koelte en frisheid van het water verderop, te ondergaan.

Dan kleurt de lucht weer frisblauw. En hoor je ze kwateren. Soms denk ik dat ze de mensheid uitlachen. Ik grijns erom. Eigenlijk kan ik ze geen ongelijk geven…