“Ow, wat draag je een mooi pakje, vandaag! Toch jammer dat het je niet staat…”

Dat was zomaar een ironische kreet van een collega, ooit hartsvriendin, richting een wat chagrijnig kijkende collega. Laatstgenoemde had wat last van jeugdige en vooral bitchy streken, en werd op deze fiets volgaarne geKarmaat, zoals wij dat toen noemden. Ik lag reeds in een stuip toen Ans me voordien een knipoogje gaf, en haar daarna en plein public afmaakte.

Natuurlijk moet je nadien rennen voor je leven, voordat je van repliek krijgt. En dat deden we dus ook.

Ik heb me de hele dag lopen verkneukelen vanwege deze toch wel lelijke opmerking. Waarom? Ik kan zoiets n.i.e.t., mensen. Alle bitchiness is mij vreemd, behalve als ik echt boos word. Dan nog zeg ik niets, ik draai me om, en loop weg.

Ik koel mezelf af – daarna – op ‘dingen’. Vijfendertig flessen mayonaise of ketchup – zo je wilt – schiet ik af op die ander. Moet ik drie uur lang schrobben op die afgeschoten mayonaise- dan wel ketchupvlekken. Heb ik die persoon allang opgehangen in de hoogste boom die ik tegenkom, omdat bomen nu eenmaal best een extra missie in het leven – terug – mogen krijgen.

Kortom, ik ben té lief. Vaak ook bespeur ik dat men dát dondersgoed aanvoelt, en me een klein beetje uit de tent lokt. Zelfs moederlief doet dat af en toe op ongenadige wijze om me te trainen, zegt ze. En als mijn pet eens goed staat, dan vuur ik wat narigheid op je af, maar dan moet ik wel bijzonder ad rem zijn qua stemming.

Hoe dan ook, trek ik vaak genoeg wel mensen aan die qua bitchiness niet onderdoen, om vervolgens hartsvriendinnen te worden. Onbewust is dat een regelrechte leercurve. Ik besef dat. Neemt niet weg dat ik soms oefen met de startzin hierboven. Hoe lelijk ook…