Ze rende de poten uit haar lijf, na zich er zo’n vier jaar voor te hebben afgebeuld, en won niet die prijs. Niet dat goud. Niet nu. Het was maar een paar seconden verschil uiteindelijk. En dan kan ik me persoonlijk heel goed voorstellen, dat je wel even wil gooien met schoenen, en je tranen laat zien.

In dat ene baldadige moment, werd voor iedereen duidelijk wat zo’n ontlading met je doet.

Wat ik bepaald onbeheurlijk vind, is dat er prompt mensen – ja van die bekende pokerfaces – zijn die daar een mening over hebben en dat maar al te graag willen delen met de rest van het gepeupel: ‘Haar gedrag zou niet sportief zijn. En zeker niet professioneel.’

‘Nee, maar wel menselijk!’, denk ik dan.

En dat komt van mij, iemand die al het sportgedruis lekker langs zich heen laat waaien. Ik heb – eerlijk – nooit veel interesse gehad in sporten zoals bijvoorbeeld voetbal nu hét entertainment blijkt te zijn. De Olympische spelen laat ik voor wat het is, met name omdat de erbarmelijke toestanden in Rio de Janeiro me meer zorgen baren omdat ik weet dat ze het daar eigenlijk niet kunnen maken tegenover hun medelandgenoten.

Sport is vooral leuk om zelf te beoefenen. Uit je dak te gaan, je agressie kwijt te kunnen. Maar voor mij persoonlijk zeker niet om van een afstandje naar te kijken.

Die opwinding. Die bemoeienissen. Die meningen. En voor sommigen zelfs een vrijbriefje om van te ‘genieten’ met veel alcohol in hun toch al weinig aantrekkelijke bierbuik en vervolgens agressieve roes die men botviert op steden en zelfs monumenten. Naast dat er zoveel politie moet worden ingezet om het zooitje ongeregeld te temmen.

Maarrrr, kom niet aan de sporters zelf. Ik heb een heilig respect namelijk voor mensen die ergens in investeren: in bloed, zweet en moed. En ongetwijfeld ook ooit die tranen. Dat bewijst niet alleen kracht maar tranen zijn vooral nodig om jezelf aan te zetten tot nog betere prestaties. Ik doe het ze zeker niet na. Die weg naar succes is veel langer immers dan die naar teleurstelling.