Vandaag had mijn vader vijfentachtig jaar oud geworden. That is, als hij het leven niet achter zich had gelaten, zo’n zes jaar geleden. En ik kan het niet helpen: ik zie hem daar zo zitten, op een wolkje, en een potje blufpoker spelen met al die andere overleden familieleden en kennissen. Potje bier, een nootje en chipje erbij, alsof dat mij vertelt dat het hem goed gaat. Ik kan het niet laten, soms uren te verdwalen in een denkbeeldig hiernamaals.

Hoe hij dan zonder meer zal vertoeven in hemelse atmosferen, want er stak niets, maar dan ook absoluut geen enkel greintje, geen een kwaadaardig duivelachtig hoorntje vanuit zijn achterhoofd. Ik mis zijn gortdroge humor, dat schalkse knipoogje daarbij en de klopjes op mijn knie en armen. Ik mis zijn helder blauwe ogen. Zijn verstand. En zijn stilte waarmee hij vertelde dat hij zag dat het goed was met die vredige blik in zijn ogen.

Soms wil ik even terug naar die tijd dat hij me weer de beginselen van wiskunde kon uitleggen. Zijn constatering dat dat toch allemaal vreselijk ‘logisch’ was allemaal.

Soms herinner ik me zijn boosheid, als ik me als kind te druk maakte over wat anderen misschien van me zouden denken. Hij kon als geen ander dan die zelfspot brengen: “Wij, van Van Putten, wij zijn nu eenmaal de besten…” Met andere woorden, ik moest nog leren die houding aan te nemen. Of nog beter: ik moest me die wijsheid eigen maken, dat anderen maar moesten denken: ‘so deal with it’.
Hij getroostte zich altijd veel moeite me altijd weer moed in te spreken, in die onhandige puberachtige twijfelmomenten van me.

Dat wolkje waarop hij nu zal verkeren, dat moet dan wel een veilige haven zijn, voor mijn gevoel. Ik zweer erbij, dat men hem daar graag zal hebben. Alsof de doden niets dan goeds verdienen. En alsof hij dan nu alles mag doen wat hier op aarde ‘verboden’ was.

Die wens is duidelijk de vader van mijn gedachten: hij mag nu eindelijk genieten van die oneindige stilte, maar alleen omdat ook ik nu weet dat het zó goed is…