Het was de kaft, het proloog, het lettertype, en uiteindelijk al die woorden. Elke pagina met woorden leek in eerste instantie een zwarte brij, maar naarmate ze verder las, ontstond er overzicht. Werd alles helder. Het onderwerp moest wel gaan leven. Want naast haar aangeboren nieuwsgierigheid om elke letter van dat boek te consumeren had ze nog twee doelen; imposante ervaringen rijker te worden en zichzelf te vergeten.
Ooit waren er nog geen boeken. Toen moest men nog eenvoudig verhalen vertellen. Verhalen die van mond tot mond gingen. En naar men kon verwachten, werden die verhalen steeds kronkeliger en levendiger. Ze gingen steeds meer de diepte in, of werden opgepikt en vertaald in een fantasierijke filosofie waar iedereen wel iets aan kon hebben. Neem nou mythen en sagen, ze verhalen over belangrijke levenslessen. Ademloos luisterde ze vaak naar haar Grieks aandoende leraar, die ze in het geheim Adonis had gedoopt.
Voor de tijd van verhalen vertellen, moesten mensen zijn gaan praten. Hetzij met handen en voeten, maar later verbaal. Zeker is dat de mens in zijn evolutie eerst kon denken, daarna pas volgde dat praten. Dat bolwerk gaf weer ruimte aan fantasie en verbeelding.
Vaak zag ze zo in haar verbeelding die oermens in een groep rond een haardvuur zitten, om met elkaar sterke verhalen te vertellen. Net zoals Indianen dat nog plegen te doen. Misschien dat ze elkaar ook oplossingen aanreiken, want vaak wil men daarmee verkapt zijn eigen verhaal kwijt.

Vertel me de feiten, en ik zal ervan leren.
Vertel me de waarheid, en ik zal ze geloven.
Maar vertel me een verhaal, en het zal voor altijd in mijn hart verder leven.
~ Indiaanse spreuk

Ooit – beloofde ze zichzelf – zou ze zelf die woordenbrij aan elkaar rijgen, als ze maar genoeg integriteit had vergaard om het verhaal en zichzelf recht te doen. Tot die tijd staat ze zichzelf vaker wel dan niet toe, een boek maar half te lezen, en in haar eigen fantasie af te ronden. Die magie maakt haar een gelukkiger mens.