Ik werd wakker – zo’n anderhalve week geleden – met pijn in mijn rechterkaak en wang. Felle steken drongen door in de rechterkant van mijn hoofd. Mijn Philips oorbel wilde zelfs niet meewerken, indoen was verrekt gevoelig. Vaak last van vervelende koppijn. Voelde me maar wat ziekig. En sneu. En zielig.

Na vier dagen toog ik maar eens richting mijn Huisarts, die me maande het nog even tijd te gunnen, want waarschijnlijk louter opgezette klieren. Ik raakte er ergens van overtuigd dat ik misschien wel kiespijn had, daarachter. Kwamen mijn verstandskiezen – en het verstand ook – dan nu nog door? Mijn tandarts riep van niet en verwees me door naar een Kaakchirurg. En gelijk dacht ik ‘Ouch’, want Kaakchirurgen zijn over het algemeen van die types met wie ik een ontmoeting liefst zo lang mogelijk wil uitstellen.

Ik kon pas vanmorgen terecht, en als afspraak tussendoor. Ondertussen – want mijn Hemel, ik was mijn Testament al aan het opstellen in gedachten – kwamen de ergste doemscenario’s opzetten. Voor en na mijn geboorte heb ik wat perikelen gehad met de schildklier. Sinds dat hele uitgebreide onderzoek een paar jaar geleden – houd ik mijn hart vast – want daaruit kwam naar voren dat deze vervelende klier er niet zo best uitziet. Tezaam met dat ergerlijke idee dat ik niet oud zal worden, kunnen mijn machtige mijmeringen me vaak onnodig ongerust maken. Dat laatste is dan weer een geluk bij een ongeluk. Vooralsnog, maar dat weer terzijde.

Deze kaakchirurg – een lekker jong ding nog – voelde, keek, drukte, vroeg, checkte eens mijn geboortedatum, en constateerde vanmorgen inderdaad dat ik doodgewoon een virus had opgelopen, want hiervoor niet ingeënt destijds. En zeker wel in een klier. Toen hij me vertelde wat zijn diagnose was, proestte ik het uit. Gelijk gerust gesteld. Zelfs di Mama keek me met grote ogen aan, toen ik haar het nieuws meedeelde. Van harte schud ik mijn zorgen maar weer eens van me af. Ik heb namelijk de Bof…