Treurwilg

Uit eigen collectie

Ze staan er in groten getalen, de treurwilgen, in het zuidelijkste puntje in die buitenwijk van mijn stad. Op de een of andere manier weten ze altijd weer mijn aandacht te trekken.

Volop in bloei, nu al vrijwel geheel in Herfsttooi, en de zwaartekracht met alle macht trekkend aan de stam van die prachtbomen. Altijd als ik op dat ene moment fiets langs bovenstaand plaatje moet ik even met open mond gapen naar al dat prachtgeweld.

Gek, want ik heb echt nooit zoveel aandacht gehad voor de natuur. Tot ik eens dat ene boek las, waarvan ik me de titel niet meer kan herinneren, waarin stond dat zelfs planten en bomen een aura hebben. En die poog ik altijd weer te zien als ik des morgens met mijn half ochtendziekkige kop naar buiten wandel.

Ik waag het zelfs te beweren dat al dat licht dat vanaf die planten en bomen, ja zelfs vanaf een grasveld, afstraalt, maakt dat ik me wat serener voel. En me rustiger maakt, ondanks al dat interne gewoel en al dat hectische gebeuren om me heen.

Doe eens net als ik een poging. Knijp je ogen halfdicht, open ze daarna weer rustig, en zie wat een energie er vanaf straalt in het midden van de natuur. Zie dat licht, hun aura’s, en waan je heel even kort in sprookjesland.

Die pep en dat inspirerende heb ik dagelijks even nodig om mezelf al was het maar voor heel even te vergeten en weer op te laden. Op het gevaar af, dat ik vanaf vandaag een ware nieuwe bijnaam (‘de zweefteef’) zal krijgen, weet ik dat jij dat net als ik zult zien, en als een nieuw mens herboren zult worden.

Wis- en waarachtig

Afbeelding van Pexels via Pixabay

Drie hoofden voorovergebogen, zich buigend over wiskunde en dan voornamelijk algebra, was mijn lot. Mijn vader en broer serieus mij stimulerend aan de ene kant, ik giebelend en bij vlagen schaterend aan de andere kant. Want a + b maakt c, daar kon ik niet bij, dat was maar al te belachelijk voor mij.

Ik moet zo’n 13 of 14 jaar oud geweest zijn. Zat op het Triniteitslyceum in Haarlem in de tweede klas. De brugklas had ik al eens lachend over moeten doen. Want, lang leve de lol, mensen.

Ik had een fijne lerares, je-weet-wel, zo eentje die oprecht begaan was met haar pupillen. Zo’n vrouw die me zo graag de kneepjes van het vak wilde leren. Zo’n vrouw die vond dat meisjes net zo goed konden scoren met Algebra. En ik, die noem het puberteit, daar echt geen moeite in wilde steken. School was een concentratiekamp, zo durfde ik het immers destijds te noemen, en concentratie was wel het laatste waar ik geduld en tijd in wilde steken.

Ik had dan ook vriendinnen met datzelfde motto. Die hetzelfde pad volgden. En nu ik er op terugkijk heb ik die kostbare jaren zo vloeibaar als mijn hormonenwedloop weg laten lopen.

Na al die jaren kom ik tot de conclusie dat mijn puberteit voor mij een ‘living hell’ is geweest. Aan de ene kant te veel keuzes en mogelijkheden die ik never nooit zag. En aan de andere kant, waren daar die afleidingen. En slechte keuzes, zoals die eerste sigaret op dat sportveld achter de school.

Ik ging wel graag naar school, wat geen wonder was, want het was ook een toffe school. Al was het dan wel katholiek georiënteerd. En al had ik dan Bijbellessen, maar zelfs met die leraar kon je heerlijk zotte discussie mee voeren. Kan me al te goed herinneren dat de muziekklas mijn absolute favoriet was omdat de leraar net als ik een ware Beatlesfanaat was en we luidkeels de klassiekers mochten mee blèren.

Nu jaren later maakt die wiskunde en voornamelijk Algebra me echt nieuwsgierig. Snapte ik het echt niet? Want als je het mij vraagt nu, snap ik het wel. Ik zou me nu heel wat meer moeite getroosten om Algebra te leren vatten. Soms denk ik wel eens vertwijfeld, ga die HAVO eens halen. Al is het louter voor je eigen gemoedsrust en zelfvertrouwen.

Je zou er bijna voor terug naar school gaan…

Getouwtrek

Image by Darby Browning from Pixabay

Volgens mij was het begin jaren negentig, dat ik ’s morgens opstond en voor mijn werk nog even gezellig The Flintstones keek, en terwijl ik mijn make-up aanbracht steels meekeek naar The Bold & The Beautiful. Toen al viel het me op. Er waren in die serie altijd 2 dames in geduchte touwtrekpartijtjes verwikkeld om maar liefst 1 man. En daar zet ik – nu nog steeds – mijn stekels van op.

De laatste tijd kijk ik de serie weer tijdens het avondeten, na een paar jaar het niet gemist te hebben, en de ene ergernis volgt de volgende op. Want wat worden er veel gesprekken in herhaling gebracht. Alsof de kijker het eigenlijk niet snappen kan of wil. Er wordt veel te veel gesproken in die serie. En te weinig actie, behalve nu dat Sheila nog blijkt te leven. Nog steeds is het Ridge vóór en Ridge ná. En aangezien ik altijd een beetje op de hand van Brooke ben, krijgt die verrekte Taylor bij mij geen kans. :-p

Mocht willen dat die Brooke ook een beetje genoeg verstand had verzameld om niet steeds weer weg te zwijmelen bij het idee dat mensen zijn (voor)bestemd.

Dat is natuurlijk de opzet van deze hele serie. Je moet ongewild partij kiezen voor de een of ander. En terwijl ik stiekem weet dat zo’n strijd niet gezond is, zeker niet tijdens je avondeten, kijk ik toch maar weer wél in de hoop dat Ridge het eindelijk een keer goed doet.

Want het is een lapzwans hoor, dat hij zich zo laat manipuleren door zijn ex, zoon- en dochterlief. Hij laat het hem allemaal maar vertellen. Geen greintje eigenwil vertoont ‘ie daarbij. Liefst zou ik hem persoonlijk eens door elkaar rammelen, totdat zijn breincellen weer in de juiste proporties vallen.

Nu het is me allemaal wat. Een goed boek zou me beter doen. Literatuur ofzo.

En toch, ik weet zeker dat ik morgenavond opnieuw zal kijken en weer hoofdschuddend alle perikelen waarneem. Ik weet zeker dat ik mezelf beloof dat het opnieuw de laatste keer zal zijn, maar dan toch…

Aardig zijn; maar wat heb je eraan?

Uit eigen collectie

Dat was het antwoord van een man, toen hij me vroeg hoe ik over een van onze nieuwe collega’s dacht. Natuurlijk had ik geopperd dat ik vond dat dat nieuwe collegaatje ‘aardig’ was, iets wat ik altijd roep als ik de persoon in kwestie nog niet goed genoeg ken om verdere uitspraken over te kunnen doen. En zijn spontane reactie was dat men ‘met aardig zijn niet ver komt’, want werkelijk waar, men heeft N.I.E.T.S. aan aardigheid. In eerste instantie was ik met stomheid geslagen. En met recht.

Aardig zijn is blijkbaar uit den boze, was mijn innerlijke reactie toen nog. Ik toog eens op verder onderzoek uit. En dit onderzoek heeft me letterlijk jaren van mijn leven gekost, kan ik je vertellen. De resultaten ervan zijn mijns inziens niet zo bijster positief.

En om je heel eerlijk te bekennen wil ik maar wat graag zelf wel ‘aardig gevonden’ (lees: uit beleefdheid) worden. Dat heet dat ik op gezette tijden positieve kreten uit naar een ander toe. “Dat doe je goed!” Of anderszins, in de vorm van een positieve bekrachtiging een wat diepgaander gesprek uit wil lokken. Mijn innerlijk (of is het intuïtie?) vertelt me immers dat vaker wel dan niet er toch een soort diepgang kan zijn, zelfs bij die mens waarbij je het het minst verwacht.

Bij de heren onder ons ontstaat dan gelijk een soort van lichtelijke paniek. Ze stellen maar al te snel in het vervolg van het gesprek dat ze ‘reeds bezet’ zijn in de vorm van een vaste relatie. Niettegenstaande (mooi woord) het feit dat ikzelf niet uit ben op een relatie met juist diegene, maar gewoon ‘aardig wil zijn’. En dat dit komischerwijze maar al te vaak verkeerd opgevat wordt. Het is dus geen verkapt aanzoek, heren. Het is gewoon een soort van meeleven, noem het welwillendheid, of een spontane uitbarsting van aangenaam koeterwalen. Daar hoeft men niet zo van te schrikken, hoor.

Bij de dames onder ons werkt dat bijna net zoveel wrevels in de hand. Als ik een goede bui heb, en roep, dat je haar zo goed zit die dag, betekent dat niets anders dan juist dát. Of dat je een leuke trui draagt, of die jaloersmakende schoenen, het zijn allemaal schijnbaar loze opmerkingen die maar al te vaak verstrekkende gevolgen hebben. Hoeveel complimenten mág iemand eigenlijk uitdelen zonder als slijmbal bestempeld te worden?

En dan weet ik plots weer waarom het zo belangrijk is dat je iedereen oprecht aardig benadert en minstens drie tot duizendenéén kansen moet bieden:

Everyone you meet is fighting a hard battle you know nothing about. Be kind. Always.

Het c-virus is ook hier geland

Uit eigen collectie

Had mezelf nog zo beloofd vrij te blijven van dat coronavirus. Ik heb letterlijk alle preventiemaatregelen best wel in acht gehouden, dacht niet zo slordig te zijn. Puntje van aandacht is hier, dat di mama (83 jaar oud nu) astmapatiënte is. Ik wilde niet dat ze door mijn schuld op een ICafdeling terecht zou komen.

Welnu, de omgekeerde wereld is in werking getreden. Niet ik, maar zij liep het coronavirus als eerste op, vorige week bij haar boetseerclubje. Aangezien ze ook nog een vaccinatie had gehad, is het resultaat ‘redelijk’ mild. Al hoest ze wel als een oude hond die nog een poging doet te blaffen.

Wat mij betreft, begonnen de perikelen zondagavond. Ik wilde slapen. Vroeg. Slapen is bij mij een teken, naast die opdoemende koortsrillingen, dat er wat onder de leden zit.

Maandagmorgen deden we zelftests, en ik bleek negatief. En di Mama positief. Ze heeft geen koorts gehad, we houden dat natuurlijk angstvallig goed in de gaten. En ik heb haar huisarts direct op de hoogte gesteld. Mij persoonlijk doet het niets, een weekje ziek zijn, maar bij di Mama gaat zulks te dikwijls gepaard met een longontsteking, die ik te allen tijde wil vermijden. Dat snap je.

Ikzelf kreeg wel verhoging, maar het blijft steeds netjes onder de 38.5˚C. Mooi man. Komt vast door die eerdere vaccinaties dat je lichaam toch een klein beetje afweer tegen dat shitvirus kent.

En in gedachten zie ik mijn witte bloedlichaampjes als soldaatjes dat indrukwekkende gevecht aangaan tegen die nietsvermoedende binnendringende coronaviruscellen. En het dan een klein beetje winnen. Een weinig, zodanig dat het lijkt of het virus wint, maar dan toch dat het in milde verhoudingen blijft. Yihaa. En lekker pûh.

Ik werd net badend in het zweet wakker na een dagje onverkwikkelijk veel geslapen te hebben. En voelde me alsof er intern hier ook werkelijk waar een heuse oorlog woedt.

Vertel nu iedereen die het maar horen wil, dat ik er binnen 5 dagen vanaf ben. Natuurlijk moet je dat niet roepen, maar hee, 5 dagen uitzieken is toch nog netjes en dan blijft het binnen de perken. Mede omdat het maar een eenzaam ding is, dat uitzieken. En mensen op afstand houden. Dat kan mij niet kort genoeg duren.