Even over mijn muzikaliteit

Photo by Tomas Tuma on Unsplash

Mijnheer Smit kwam vroeger bij ons over de vloer om ons te onderrichten in muziek. Mijnheer Smit was een wat oudere man reeds, en het chagrijn droop van hem af. Geen wonder ook, want het leek mij, jong als ik was, beslist geen pretje om al die ongemotiveerde kids iets te leren over muziek. Volgens mij werd hij van mijn (twee jaar oudere) broer nog wel vrolijk, want die was zeer muzikaal. Al wilde mijn broer hem ook liefst zo snel mogelijk ontvluchten. Maar mijn muzikale genen ontbreken totaal. En ik baalde zodra ik de heer Smit’s armzalige en chagrijnige hoofd weer gewaar werd.

Want hee, elke dag oefenen deed ik ook al niet. Mijn vroegste herinneringen aan mijn muzikaliteit was de accordeon. En wat werd ik miserabel van dat ongelooflijk melancholische geluid van dat ding. Ik geloof dat hij dat wel doorhad, maar niet goed wist dit aan te pakken, hoewel ik binnen no time mocht afstuderen op ons orgel. Wat overigens ook maar een jaartje of wat geduurd heeft. Zonder veel of met zelfs zeer weinig resultaat. Ja, ik kan dus wel noten lezen. Eenvoudige noten. En sommige liedjes kan ik nu nog steeds spelen op dat orgel. Wat dat betreft is deze studie destijds wel een klein beetje vruchtbaar geweest, mag ik hopen.

Later, veel later, bleek dat ik reeds mijn hele leven slechthorend moet zijn geweest. Gedurende haar zwangerschap werd mijn moeder geadviseerd om bepaalde medicijnen waarin jodium zat door te slikken, en groeiden mijn schildklieren daardoor buitenproportioneel. Ik werd dus geboren met een hele dikke keel, wat heet: mijn keel was niet te onderscheiden van mijn romp. Naar alle waarschijnlijkheid hebben die schildklieren dus mijn hoorgangen zo goed als vernauwd, waardoor geluid niet goed doorkomt. Foutje, bedankt. Al ben ik dan wel een uitstekende danseres. Maf genoeg. Echt, ik swing de pan uit als het moet. En ik houd absoluut van muziek. Het is zelfs van wezenlijk belang voor mijn stemmingen.

Mijn grote broer is dus altijd mijn leidraad geweest in mijn muzikale voorkeuren gedurende mijn tienerjaren. Op mijn achtste zag ik volgens mij voor het eerst de film “Help!” van The Beatles. Aangestoken door hun enorme humor en geweldige muziek werd ik als vanzelfsprekend fan. Ik heb alle platen, en later zelfs CD’s aangeschaft. Dat alleen al is een klein kapitaal waard.
Als ik maar even down ben, kijk ik een van hun films. Of lees ik een van de vele ongeautoriseerde biografieën die over hun geschreven zijn. Om me weer op te monteren en op mijn pad verder te gaan.

Eigenlijk ben ik daar qua muzikale voorkeur wel blijven hangen. Al ben ik ook steeds kort into achtereenvolgens The BeeGees, The Police en dan met name Sting, en U2 en als laatste Robbie Williams geweest. Van de week was ik mijn CD’s aan het afstoffen en het viel me op dat mijn aandachtsspanne voor andere muziek vrijwel stil is komen te staan. Al hoor ik dan wel eens een deuntje van andere musici die dan kort blijft hangen. Echt fan, zoals destijds van The Beatles ben ik nooit meer geweest. Misschien heet dat volwassen worden?

Vanmiddag tijdens het onweer verveelde ik me kort en knalde aldus maar weer een CD van The Beatles aan en werd er weer zo fris, fruitig en vrolijk van, dat ik me afvraag waarom er tegenwoordig zoveel tijd tussenkomt dat ik weer oprecht kan genieten van het luisteren en swingen op muziek. En dat, beste mensen, mag ik nooit meer vergeten.

Even Downton Abbey

Foto geplukt van nieuwsblad.be

Joh, ben eigenlijk nooit zo voor de kostuumdrama’s. Te stijf. Te statig. Maar Downton Abbey heeft uiteindelijk wel mijn hart gestolen omdat het zo piekfijn de verhoudingen laat zien tussen ‘boven’ en ‘beneden’: lees de verhoudingen met het personeel van dit gruwelijk groteske paleis.

Met alle karakters ontwikkel je wel een band. En om heel eerlijk te zijn bewonder ik daar ons aller Maggie Smith nog het meest. Haar acteurskunsten zijn formidabel. Haar wat bijtende sarcasme vind ik heerlijk relativerend. Ik lach me vaak wezenloos als zij alleen al in beeld komt en haar tekst oreert.

En dus stapte ik gisteren geheel spontaan onze nieuwe bioscoop in Haarlem-Zuid binnen: Kinepolis en heb me onderwijl luidkeels snoepend gelaafd aan dit spektakel, de tweede film A new era.

En ik wil hier natuurlijk niet showstoppers weggeven, maar het verhaal handelt om de instandhouding van het paleis, waarbij de familie hun basis openstelt aan een filmmaker die het stulpje wel wil gebruiken als achtergrond voor een film. Ergens is het fijn om te zien dat ook die lui zich vroeger realiseerden dat er geld moest binnenkomen om hun grootse en meeslepende levensstijl en het onderhoud van ‘het pandje’ te kunnen waarborgen.

Hoe dan ook heb ik me weer kostelijk vermaakt gedurende de film. Ik waande me heel even in een andere wereld, waaruit ik me letterlijk los moest schudden toen ik daarna een BigMac bestelde bij de naastgelegen MacDonalds en ik weer op aarde terugkeerde.

Zo lang was het geleden dat ik laatst een bioscoop bezocht. En nu ik terugdenk aan hoe lang dat was, moet dat minstens Jurassic Park zijn geweest. Ik kan nog huiveren over de dinosaurasstappen die je ‘live’ kon ervaren bij zo’n grootse filmvoorstelling.

Ik heb me nu voorgenomen weer vaker een film te gaan zien die me even het gevoel schenkt een korte vakantie te hebben gehad.

Filmpje?

Promo-afbeelding van De Beentjes van Sint-Hildegard-film

Terwijl ik vroeger die gezellige abo had op Filmnet, samen met di broer die naast me woonde, is mijn aandacht wat goede films betreft, inmiddels wat verslapt.

Op Koningsdag was “De Beentjes van Sint-Hildegard” met Herman Finkers op tv, en heb ik die wegens grondig slaaptekort moeten missen. Maar omdat de recensies zeer lovend waren, hoe kan het ook anders met Finkers in de hoofdrol, wilde ik deze film per se toch zien.

Dat heeft me een abo op NPO Plus gekost, maar wie maalt daarom? Speciaal als je de hele film hebt kunnen grinniken en bijna continu uitbarst in luid gelach. Kunnen er alstublieft meer van dit soort films volgen? Wat jij? Hoe ervaarde jij deze film dan?

Nu ben ik sowieso fan van Herman Finkers. Zijn kracht zit ‘m in zijn sympathieke uitstraling, eenvoud en dolkomische droogheid, blijkbaar. Ik houd van dat soort humor. Dat je iemand oprecht moet aankijken, en je nog eens afvraagt, of hij dat echt wel geroepen heeft. En dat je dan nadenkt en uiteindelijk uitbarst in tranen van het lachen.

Sowieso vond ik het dialect in de film een geweldig buitenlands tintje geven, en was dan ook blij dat het werd ondertiteld. Het gaf de film net dat beetje cachet extra, al kwamen die vier-en-een-halve ster die ik deze film meegeef toch echt wel door louter de aanwezigheid van Herman Finkers.

Jaar: 2019
Duur: 103 minuten
Genre: romantiek/comedy
Taal: Nederlands


Op mijn nachtkastje

Banner van PerfecteBuren.nl

Laatst zag ik een oproep van ene Piercy Tienhoven voorbijkomen op Facebook. Hij is als altijd – en ik ook naar blijkt – op zoek naar humoristisch getinte boeken. Het leuke aan deze oproep was, dat hij gelijk een lijstje met zijn oproep presenteerde met boeken waarvan hij genoten heeft. Dat lijstje met o.a. Het Rosie Project heb ik natuurlijk ergens opgeslagen.

De boeken die dus nu nog op mijn verlanglijstje staan, zijn: De Meeste Mensen Deugen, de Helaasheid Der Dingen, De Laatkomer, The Humans, Sh*t My Dad Says en boeken van Terry Pratchett en Jostein Gaarder. Liefst lees ik die allemaal tegelijk want stel je eens voor dat er iets zou ontbreken aan mijn leesgenot, zeg.

Humoristische boeken dus, maar ook actie- en/of reisboeken zijn met name mijn absolute favorieten. Ik kan namelijk ontzaglijk gruwelen van boeken met een maatschappelijke boodschap, want daar krijg ik maar buikpijn en last van mijn geweten van. Ook thrillers spreken mij niet aan. En die feelgood books heb ik inmiddels ook wel gezien, gehoord en gevoeld.

Tegenwoordig heb ik trouwens liever e-books. Die kan ik immers altijd met me meedragen. En op de gekste momenten even openslaan. Het leuke daarvan is ook, dat ik op mijn iPhone een melding krijg dat ik mijn dagelijkse leesdoel weer eens heb gehaald. Zulke complimenten vergaar ik dan ook graag. Mijn nachtkastje is dan ook niet fysiek getooid met boeken die daar maar stof liggen te vergaren. Neen, dat niet.

Ik vind het overigens tamelijk prettig om niet te pochen over wat, hoe, waar en wanneer ik lees. En ook, dat men bij binnenkomst niet gelijk wordt geconfronteerd met mijn intellectuele kant. Integendeel. Wat mij betreft, hoeft men dat nooit te weten te komen. Al is het schrijven over datgene wat je graag zou lezen, dan toch wel die absolute must. Dus bij dezen.

Deze blogpost verscheen gisteren ook op perfecteburen.nl.

Remembering #JohnLennon

Moet een jaar of zeven zijn geweest, toen ik voor het eerst de film Help! zag met The Beatles. Die humor en nog beter hun muziek spraken me gelijk aan. En ik kan me herinneren daarna de gelijknamige LP uit de kamer van broerlief te hebben gejat, om het daarna grijs te draaien.

Er volgden meer LP’s. Meer video’s. Elke uitzending waarin The Beatles, al was het louter een paar minuten lang, nam ik op, en keek ik terug, zónder ooit verveeld te raken. Ik was dan ook de enige die zoveel gebruik maakte van de stereotoren in huis en de video (ja the good ol’ VHS nog), tot slijtens aan toe, conform mijn moeders’ wat spottende herinnering.

Afbeelding van pauldaley1977 via Pixabay.com

Ik kan me overigens niet herinneren één van The Beatles als absolute favoriet te bestempelen. Ik vond ze allen, de vier mannen, even grappig, cool en geweldig. Al had George de mooiste glimlach, Paul de cheekiest uitstraling, was John de intellectueel van het stel, en Ringo altijd en nog steeds de grappigste drummer ooit.

Dit moet tot een hoogtepunt geleid hebben, want al mijn spaarcentjes gingen op aan de LP’s en posters. Overal, in mijn slaapkamer, was elk stukje behang jarenlang getooid met prachtige kiekjes van het stel musici die qua humor en muzikaliteit nooit meer zo’n weerga heeft gekend. Met geen enkele andere pop- of rockster.

Words are flowing out
Like endless rain into a paper cup
They slither wildly as they slip away across the universe

Across the Universe

En toen was het plotseling dinsdag, 9 december 1980. Ik ging inmiddels als een ware brugpieper naar de middelbare school, het Triniteitslyceum, die ochtend. En terwijl we wachtten op de leraar om het lokaal te openen, zei mijn beste vriendin in het voorbijgaan dat ze had gehoord dat John Lennon de vorige avond was vermoord. Vol ongeloof begon ik een wilde discussie over die snertpers die dat soort verhalen nu eenmaal bij de vleet ‘verzon’. Ik zweeg haar de rest van de dag ‘dood’. Totdat ik van school thuiskwam en het nieuws werd bevestigd.

Ik kan je niet vertellen hoe eindeloos diep de depressie was waarin ik toen verzonk. Immers, nooit meer zouden deze helden nog samenkomen. Wat ons restte, was louter (en gelukkig maar) hun schier eindeloze repertoire: de muziek.
Maar niets kon verhinderen dat die grote trots en gloorrijke hoop als een blikseminslag de grond, mijn grond, werd geboord.

Kon zelfs over mijn toeren heen raken, als bleek dat men de moordenaar van John Lennon, die ik nog steeds liever niet bij naam noem, weer eens de tijd en ruimte schonk om een interview te geven. En blijkbaar de ruimte om zijn ziektebeeld de wereld in te slingeren. Dat gevoel – al is het tegenwoordig in mindere mate – heerst nog steeds een weinig bij me.

Vandaag is het de verjaardag van John Lennon, als hij er nog was geweest. Hij zou 80 jaar oud zijn geworden. Alweer veertig jaar geleden is het dat hij in koelen bloede werd omgebracht, daar vlak voor zijn woonst. In het bijzijn van zijn vrouw, en bijna ook ten overstaan van de rest van de wereld.

Ik kan me herinneren dat ik het persoonlijk nogal vreselijk én morbide vond, dat iemand die zich zo inzette voor de vrede en zo uitgesproken tegen oorlog was, het leven moest laten door de trigger van een pistool van een wezenlijk zieke geest.

Er is in die veertig jaar niet bijster veel veranderd. Nog steeds kan elke zieke geest een vuurwapen bemachtigen en onwaarschijnlijk veel leed veroorzaken. Hebben we dan niets geleerd van dit alles?