Er bestaat een fase – en dat geldt naar ik meen voor iedere vrouw – dat je welbewust liefst iedere dag enkele flukse momenten aan je haren sjort in de hoop dat het sneller zal groeien. Vooral als je zo’n half jaar daarvoor in die spontane bui – in een poging de wereld te laten pretenderen dat je méér dan een grijze duif bent – de kapper had gemaand dat het er echt allemaal af mocht. Omdat je van bijna origineel brunette weer terug wil naar dat vrolijk ogende lichte kleurtje. Vooral omdat het nogal kostbaar is om die eigenwijze grijze haren bij je slapen steeds weer bij te werken. Het mag grijs, het is de trend, ik ben ín.

Maar gedurende die tussenfase tussen dapper kort en mooi lang, daarin herken ik mezelf dus niet meer. Het is alsof je een ander in de spiegel ziet. Je weet wel zo’n vrouw waarvan men meent dat alle moeite tevergeefs is om er nog iets van te bakken. Liefst droeg ik tot het weer enigszins vertoonbaar is een heuse pruik.

Want dat moment dat je jezelf half lazarus schrikt als je ’s morgens een blik werpt – per ongeluk – in een spiegel en die hanenkam ontwaart, die ontstond na een goede nacht slapen. En dat je van schrik liefst een emmer koud water over jezelf heen pleurt, om er weer een soort van model in aan te brengen. En om het plaatje te vervolmaken zou ik me – bij wijze van spreken – de rest van die dag kunnen uitdossen in een oude stinkende joggingbroek met uitgeplozen slobbertrui, en niemand die daar dan nog van opkijkt. Het past gewoon.

Het is ronduit diep-tragisch – en het betekent voor mij een halve identiteitscrisis – dat je jezelf niet compleet voelt door zo’n uiterlijk en nietszeggende catastrofe. Terwijl echt elke kapper en ander vrouwmens me denkt te kunnen geruststellen, dat kort haar me zo vlot staat. Nee, voor mij begint het leven pas weer, zodra mijn wilde haren weer zijn aangegroeid. Tot die tijd meen ik dat mijn grijze haarkleur helemaal de trend is. Als nu ook ‘es overgewicht en rimpels hip worden, dan wordt dit toch nog mijn jaar…