Ik kon het niet laten, ik moest die vraag wel stellen. Ooit. Dus trok ik die dag de stoutste schoenen aan die ik had. En ging onderweg. Bij dat statige grachtenpand, waarvan ik zelf ook droomde ooit de rest van mijn leven te kunnen staren naar zo’n hoge witte muzen-plafond, in de hoofdstad ging ik naar binnen. Ik wachtte netjes mijn afspraak af, hoewel ongeduldig.

Eindelijk was het zover. Hij kwam me afhalen, en het lukte me wonderwel nog steeds een soort van hardnekkige beleefdheid in stand te houden. Hoewel, ik wist dat dat ene moment bijna zover was.

We gingen zitten, ik kreeg koffie. Hij vroeg me, hoe mijn reis er naar toe was verlopen. Maar ik hield het niet meer, dus plopte de vraag er pardoes uit.

“Dok, denk jij, dat die ellende, al die narigheid, dat ik dat op me afroep?”
Even viel hij stil.
Hij dacht na. Kennelijk. Maar antwoordde toch vrij resoluut:
“Dat zullen we pas weten, als we wat meer sessies hebben gedaan!”

Kedang. Dat was het dan. Ik was er gelijk klaar mee.

Hoeveel sessies ik ook had gehad, in het verleden, en niet alleen bij deze psycholoog of psychiater; dit antwoord, wist ik, was de definitieve uitkomst. Méér was er niet.

En gelijk wist ik ook, waarom hij never nooit niet met een soort van planning was gekomen. Soort van planning met een beoogd resultaat of goals, whatever, en dat uiteindelijk ik die deur voorgoed zou kunnen uitstappen. Als zijnde genezen. Voor altijd. En dat ik dan nooit meer de behoefte zou voelen, zo’n zelfde vraag over ellende of narigheid te stellen. Niet aan een psych, aan niemand, voor de hele rest van mijn verdere leven.

Op het moment dat hij resoluut verwachtte dat ik netjes terug zou komen voor nog méér sessies, nog meer praten, nog meer onthullingen van mijn kant, wist ik dat ik dit niet langer nodig had. En dus dronk ik mijn koffie niet eens op. Ik stond op, liep richting de deur, draaide me om en zei:

“Waarschijnlijk is de beste beslissing ooit, dat ik u niet langer nodig heb!”