Ik sta in een lift die een eigen leven schijnt te leiden. De lift stopt op elke vloer, terwijl ik vanuit mijn appartement van de bovenste étage kom. Nog minstens vijf verdiepingen te gaan besluit ik mijn claustrofobie te laten voor wat het is en de lift uit te stappen zodra de deur opent.

Ik kan nu twee dingen doen. Of terug naar mijn huis boven, maar dan moet ik alle étages naar boven via het trappenhuis beklimmen. Of via de trap naar beneden. Ik huiver, want sta boven aan de trap. Kennelijk heb ik plotseling last van hoogtevrees en ik houd me stevig vast aan de trapleuning met mijn ene hand, terwijl de andere een tas draagt vol met lege flessen die dringend retour moeten naar de supermarkt, waar ik heen wil.

Een wat oudere man, sportief gekleed in jogging-outfit, rent me voorbij de trap af.
Op de verdieping daaronder staat hij plotseling stil, draait zich om en vraagt:

“Gaat het wel?”
“Nu, ik adem, dus schijn te leven!” is mijn antwoord, ietwat sarcastisch.

“Kan ik u helpen met uw tas?”
“Nee, het gaat. Dank u vriendelijk!”

“U moet aan uw conditie werken.”

Waar komt dit zo plotseling vandaan, vraag ik me dan af.

Hij: “Beneden in de kelder is een fitness-ruimte, daar kunt u heen, elke dag!”
“Yes, I know!”

En terwijl ik dit zeg, lijkt de wijze waarop ik dat zeg op de stem van Sybil, de vrouw van Basil Fawlty van Fawlty Towers, die komedieserie.

“Het gebruik van de fitness-ruimte is gratis, maar dat wist u al!”

Nee, dat is het niet. Het is niet gratis, maar ik wil zijn stemming niet vergallen door te stellen dat dat gebruik van de fitness-ruimte inbegrepen is bij het totaalbedrag van de huur. Dus zeg ik, ietwat korzelig:

“Yes, I know!”

Weer à la Sybil. Minor detail.
Hij draait zich om, en rent de rest van de trappen af. Ik hoop hem niet meer tegen te komen.

In het holst van de nacht, lijkt wel, maar als ik naar mijn wekker kijk is het 4:58 uur, word ik wakker van een indringend geluid. Ik probeer enigszins uit mijn ruw verstoorde slaap te komen. Probeer een gooi te doen naar de wekker. Die mag het raam uitgemieterd worden, maar dat is niet het geluid wat ik zoëven hoorde. Was het de telefoon die rinkelde dan? Nee, ook niet. Half zuchtend, kruip ik meer dan lopend richting mijn voordeur. Check het spionnetje, maar zie alleen een vlok zwart haar, dus moet ik de deur wel openen. Terwijl ik de deur van het nachtslot doe, zet ik het op een kier, en kijk recht in de ogen van de man van het trappenhuis, die middag.

“Goedemorgen! Zullen we nu even samen gaan sporten?”

Ik kom niet verder dan zijn uitbundige goedemorgen. Meestal heb ik de neiging iemand die zo vrolijk en met zoveel kracht enthousiast op dit tijdstip is, een dreun te geven.

“Wát moét zé?”

Hij grinnikt kort en zegt doodleuk: “Ik werk om acht uur. Dus we hebben nu minstens twee en een half uur om even wat conditie op te bouwen.”

Ik kijk hem eens heel boos aan. Maar hij ook. En zijn blik spreekt boekdelen:
‘Mens, wat sta je hier nog? Je denkt toch niet dat ik bij iedereen sta aan te bellen op dit belachelijke tijdstip om te vragen of ze mee gaan sporten?’

Nee, denk ik, da’s waar. Daar zit wat in.
Ik kijk eens naar mijn hemmetje. En zeg:

“Ik moet mezelf eerst aankleden!”
“Okee. Ik wacht wel even in de gang!”

Ik doe de deur dicht. En laat mezelf bijna zakken tot de vloer om terstond verder te pitten. Maar dat kan niet. Deze man wacht op me.

Ik kleed me haastig om in mijn sportiefste en gevaarlijkste outfit. Open de deur opnieuw en ga sporten met deze man die het waagt mijn leven zo drastisch te willen veranderen.

De volgende dag, hetzelfde ritueel. Weer drukt iemand op de deurbel, klokslag 4:58 uur. Weer diezelfde man. Weer mijn verplichte sportieve uurtjes. Deze man weet van geen opgeven. Zelfs gedurende het weekend ben ik niet veilig.

Badend in het zweet word ik vervolgens klokslag 4:58 uur wakker. En wacht op de deurbel. Ik hoor niets.

Zou het een droom zijn geweest?