Toen ik 17 was, zat ik al in zaken. In de snoepwaren om precies te zijn. In mijn eigenste toko, schuin tegenover de zaak van mijn ouders vond ik een heel klein schattig pandje, waar het uitgelezen de ‘stek’ was om een snoepwinkeltje te beginnen.
Terwijl we een opening planden, de inventaris aan het inruimen waren met de ramen afgeplakt, was er in de buurt al veel geroezemoes en natuurlijk grote nieuwsgierigheid wat wij in vredesnaam voor winkel zouden openen.

Met de opening was het dan ook een drukte van jewelste. Ik zal nooit vergeten dat de scholieren ontdekten dat er in hun buurtje een snaaiwinkel was. Want gedurende de pauzes liep dat voorbij, de scholieren van drie middelbare scholen en ook nog een lagere school. Die popelden natuurlijk om liefst al hun zakcentjes bij mij te spenderen.

Eender welke schoolpauze dan ook, kwam mijn moeder me bijspringen, want alleen trok ik die lange rijen voor de deur niet. De toonbanken hadden we gelukkig zo gepositioneerd dat niemand erachter kon of ook maar iets kon wegnemen, zonder daarvoor te betalen.

Ik leerde al snel dat ik zelfs zonder die weegschaal wist dat ik een half pond of dat volle pond snoep had geschept. En vergeet nooit de donderdagen, de dag waarop mijn bestellingen bij Lekkerland, mijn enige leverancier, zouden worden geleverd. Die dag werd er dan een volledige kar met snoepjes gebracht die binnen luttele uren alweer uitverkocht zouden zijn. Elke dag was het altijd weer razend druk. De étalage spekken en cadeautjes inpakken was altijd weer een feest en daarin kon ik me helemaal uitleven. Het enige minpunt was dat eventueel onaangekondigde bezoek van de Keuringsdienst van Waren, waardoor mijn winkeltje altijd weer spic en span moest zijn.

Mijn grootste afnemers waren vanzelfsprekend mijn broer vanwege de drop, en mijn moeder wegens de kersverse bonbons. Zelf was ik gelukkig niet zo’n zoetekauw. Al overleefden die kakelverse negerzoenen natuurlijk niet al te lang die glanzende glazen pot.

Klanten, groot en klein, kwamen altijd weer ogen te kort door dat geur- en kleurenspel van mijn winkeltje. Minutenlang, stonden mijn grote en kleine klanten te wikken, terwijl ik op mijn tenen moest balanceren om nog van mijn kleinste klantjes hun koppie gewaar te worden over die hoge toonbank, wat ze voor hun 5 of 10 centjes konden kopen omdat ze eenvoudigweg geen beslissing konden nemen.

Achteraf waren die blikken van verlangens – dat nooit met mate willen genieten – altijd weer kostelijk schrijfvoer.