Hij staat er dag en nacht, lijkt wel. Je kunt zien dat hij af en toe moe wordt, dan steunt hij maar op zijn andere heup. Met zijn trouwe bruine kijkers gelijk een puppy die je terstond mee naar huis wil nemen bekijkt hij me voorzichtig van top tot teen en geeft me altijd weer dat vriendelijke knikje.

Hij spreekt deze taal niet. Niet mijn taal, althans. En is járen jonger. Al zou ik niet precies kunnen vertellen hoe hij gekleed gaat. Zijn ogen beïnvloeden me nog het meest. Er schuilt warmte in. Medemenselijkheid. Soms lijkt het erop of hij mijn ziel wil doorgronden. En dan weet je, voel je, dat hij iets heeft gezien, waardoor hij heel jong heel snel volwassen moest worden. Terwijl je ook haarfijn aanvoelt dat hij je daar nooit lastig mee zal vallen, al vraag je hem ernaar.

Hij staat daar maar in het luchtledige te staren voor een goedlopende supermarkt en verkoopt de Daklozenkrant. Ik tast eens diep in mijn buidel, geef hem het benodigde muntje en met een grote glimlach alsof de zon plotseling gaat schijnen, zo wit zijn zijn tanden, overhandigt hij mij een exemplaar van zijn handel. Ik schud nee, en dat dat juist de bedoeling niet is. En omdat ik me plotseling met de situatie geen raad weet, maak ik me maar snel uit de voeten.

Mijn ziel zit mijn ego achterna en trapt de duivel op zijn staart en dus wandel ik met een zwaarmoedige bui weer richting huis. Tot ik een schel fluitje hoor, vlak voordat ik de voordeur opendraai. Mijn boodschappen heb ik inderhaast om dat muntje uit mijn knip te pakken bij hem laten staan. Met dezelfde open glimlach reikt hij mijn volle tassen aan. Ik bloos vanwege mijn stuntelen, kijk hem opnieuw aan in zijn bruine kijkers, en bespeur een knipoogje. Grinnikend draait hij zich om en wandelt heen. Zijn lange dag is blijkbaar voorbij en de mijne weer goed…