Je-weet-wel, je hebt zo’n gesprek met iemand. Je luistert spitsvondig naar die ander en tussen de regels door vang je veel op. Je ziet de trekken van die anders gezicht, en omdat je die ander een beetje beter denkt te kennen gaan er plotseling alarmbellen af. Niet ééntje, nee veel. Deep down zou je die ander willen vragen, ‘ben je wel gelukkig?’, maar dat doe je niet.

Ergens voel je aan, dat als je dat wél zou doen, je die ander misschien wel in een lastig parket brengt. Want die ander wordt dan min of meer gedwongen zichzelf te verdedigen, wat niet hoeft. Die ander zou dat giga ship on the shoulder bij jou op tafel kunnen leggen, al weet je dat die tafel wellicht té overvol van narigheid gaat overlopen. Besides, het is jouw tafel niet. En what’s worse, die ander ziet dan misschien plots een noodzaak om iets aan die ellende te gaan doen. Iets waarvan jij niet direct de schuld wil krijgen.

In alle gevallen beroep ik me op mijn eigen diplomatie. Maar je kunt er ondertussen maar mooi mee zitten.
Stel je eens voor, dat je het niet bij het rechte eind hebt, juist omdat je niét dóórgevraagd hebt. Dat jij maar fijntjes doorloopt met meer vragen dan antwoorden in je kop, terwijl die ander flierefluitend verdergaat met leven.

Beter is het dus soms tactvol te zijn, zodat het lijkt of je die ander niet echt gehoord hebt. Zo kies zijn, betekent dat ik me achteraf vaak afvraag of je dan wel zo’n goede vriendin bent of bent geweest.

Het punt waar ik vaak mee worstel is dat ik zelf ook niet volmaakt ben. Niet alleen anderen, maar ook ikzelf heb nog zoveel lessen te leren. Wie ben ik, dan, om die ander op een voetstuk te plaatsen om zichzelf aan mij te verantwoorden?

Elke keer weer maan ik mezelf terug naar mijn eigen plek en vertel ik mezelf hardhandig: ‘to get a life.’ Vergeet wat je niet hoorde. Zie niets wat er niet is. Zwijg waar je zou kunnen praten. Als de tijd daar is, zal het zo zijn.

Was het niet Confucius die zijn leerlingen vertelde: ‘Kijk niet naar, luister niet naar, spreek niet uit en richt je niet op wat in strijd is met welvoegelijkheid.’
Juist die wellevendheid en dat savoir-vivre wordt mijn nieuwe tweede huid voor de toekomst, wat ik je brom.