Opstandig word ik, als ik tijdens het avondeten word geconfronteerd met reclame voor steun aan een goed doel tegen dierenleed. Noem me een doetje, maar ik hoef echt niets meer te eten als ik zie hoe sommige mensen omgaan met onze mede-aardbewoners. Ik word er kotsmisselijk van als ik hoor dat mensen stokken of andere wrede dingen in het achterste van een paard steken, bijvoorbeeld.

En zo werd ik vandaag ook niet helemaal lekker bij het aanzicht van dat piepkleine muisje dat daar achter een kast verteerd lag te zijn. Het had zijn eigen dood niet kunnen vermoeden bij het eten van het gif dat we daar voor hem geparkeerd hadden.

Ik ruimde de rotzooi dan ook met onverholen weerzin op. Duidelijk was dat het beestje gebraakt had voordat hij het leven liet. En dat er om hem heen ook wat restjes lagen van urine en keutels, dat mag duidelijk zijn. Op zo’n moment draait ook mijn maag van afgrijzen drie keer om zijn as.

Natuurlijk weet ik dat het muizen in huis niet een goed voorbeeld van hygiëne is. En gelukkig zijn muizen al zo ver geëvolueerd dat ze snappen niet dat kaasje op te eten van zo’n typische muizenval.

Want dit was beslist een slimme muis. Wekenlang heeft hij het huis van di Mama op zijn kop gezet. De hond aan het schrikken gemaakt. En ons zelfs laten lachen om zijn nieuwsgierigheid als we elkaar recht aankeken toen we weer eens probeerden uit te vinden waar hij precies schuilhield.

Hij was zo klein, dat we dachten dat het nog een jonkie was. Zijn staart zelfs langer dan zijn postuur. En zo verdomde snel weg, en zo verrekte vrijpostig omdat hij bijna net zo geïnteresseerd was naar ons als wij in hem.

Natuurlijk roep ik dan tegen di Mama dat zij beter aan een kat moet. Net als haar buren, die zeggen geen last te hebben van muizen. Ik hoop dan stiekem, dat zo’n kat het beestje voortvarend voor zich uit laat lopen, want aan de gedachte dat een kat zijn prooi vangt wil ik eventjes ook niet denken.

De herinnering dat een van mijn katten een jong duifje uit een nest stal, staat me nog al te vers in het geheugen. Vooral omdat hij het duifje terwijl ik stond te koken voor mijn voeten wierp. Als in: “Die kan zo de pan in!” Hij was tenminste wel zo betrokken bij mijn koken, maar ik ga dan spontaan gillen vanwege de gruwelijkheden van het roofdier-principe.

Men zegt weleens, dat de beste therapeut een vacht en vier poten heeft. En dat knuffelen de ware gebarentaal is. Dat is in het kort mijn opvoeding geweest. Niets heeft me daarin gehard, alleen maar bewezen dat het zich loont om niet minder harteloosheid dan wel wreedheid te tonen…