Als echte schrijvers onder ons geen lef hebben, dan praat men anderen graag angst aan. Het soort angst dat je ergste innerlijke criticus je ook tracht te voeden. Beide waanwijze criticasters leveren het soort kritiek, wat je vertelt dat je helemaal geen plezier meer mag hebben in wat je doet.

Ik weet dat mijn kracht niet zodanig ligt in het luisteren naar zo’n vileine vitter. Want mijn gevoel zegt dat er duizenden soorten van glorieuze vrijheid, om te schrijven wat ik wil, zijn en dat slaaf zijn aan een censor toch nooit zal leiden tot dat ‘gouden schouderklopje’.

Gelukkig leeft mijn ziel zonder schaamte door louter persoonlijk te schrijven en een soort van bevrediging te ervaren dat neigt naar vermaak.