Het duurt even, eer ik kan wennen aan de kou, dat grijze, de mist, dat novemberachtige. Je zou er spontaan een vent voor gaan zoeken en die doodknuffelen. En ik dreig iedereen die erover begint – over de kou of dat ze vragen of ik misschien heel stiekem toch wel een relatie heb, want veilig – zelf spontaan te emigreren naar de Malediven, om daar een baantje als serveerster te zoeken. Zo van lang leve de lol.

Zelfs kokkerellen trekt me in een maand als november meer. Ik kan dágen zitten snorren in een kookboek naar het ultieme recept. Ik proef bij voorbaat al pikante of zoete smaakjes en mijn neus weet voordien de geurtjes al op te nemen. Ik zie die lekkernijen voordien al op tafel. Alleen al in gedachten vliegen de extra pondjes er bij mij aan. En ik nodig mensen dan ook graag uit voor mijn gezellige ronde-tafel-avondjes die steevast eindigen met veel koffie, likeurtjes, sigaren (?!) en bonbons. Totdat ik me plots de volgende dag herinner, dat ik een hele godganse dag in de keuken vertoefde en mijn tafelgasten kort opmerkten dat het lekker was. En de lol van al dat eten binnen dat ene uur weer gepasseerd was.

Maar alleen al het feit dat het vroeger donker wordt ’s avonds, daarvan raak ik plotseling in een soort van extase – en altijd op zoek naar genoeg warmte van dekens en kussens. Je kent dat wel. Een tijgervelletje voor de open haard, met veel kussens erom heen gedrapeerd. Veel boeken. Bonbons. Warme chocolademelk met een grote dot slagroom (en de nodige alcohol). De kaarsjes mogen weer aangestoken, met een emmer water paraat, ingeval een van de kattenstaarten in de fik staat (dat rijmt).

Inspiratie doemt op uit alle hoeken. De grootste fantasieën gaan los, vooral als ik een goed boek lees. Wat wel verklaart waarom ik in veel boeken begin, maar die never uitlees. Geen wonder, ik verzin zelf dat mooie slot wel, in mijn verbeelding.

Kennelijk schuilt er toch iets van een avondmens in me. Want zelfs ik weet, dat kortere dagen best fijn zijn. Vooral als je eens je dag niet had…