Zo’n anderhalve week geleden, het veelvuldige niesen begon als veeg teken op een druilerige zaterdagmiddag, brak er ineens een verkoudheid met aanverwante koortsperikelen door. Ik heb dan altijd de neiging om diegene die me aangestoken heeft, een gruwelijke kopstoot te geven. Er zijn in mijn omgeving echter te veel mensen ziek, momenteel. Dus waar te beginnen in zo’n geval? Soms kun je zo’n situatie beter gewoon accepteren en proberen er iets van te maken, maar ik ben geen ‘makkelijke’ zieke. Niet voor mezelf, en zeker niet richting anderen.

Er zijn van die momenten, dat je je doorlopende snotneus dubbel en dwars spuugzat bent. Ik lijk wel een halve alcoholist nu, met zo’n rode neus. Of een clown, wat gezien het Carnaval dat nu heerst nog niet eens zo’n slecht idee is.

Die neus van mij leidt dus een heel eigen leven. Ik zal je niet vermoeien met wat ik zie wat ik allemaal weg snuit. Verbazingwekkend hoe snot oogt en dat je dat plotseling in je hebt, en dat je dat er ook weer gewoon uit briest. Soms kleurt het weerzinwekkend (ik weet) groen, maar meestal is dat goedje vrij transparant. Verklaart direct dat spookachtige duizelingwekkende geharrewar in mijn knikker. Het enige wat nog net ontbreekt is dat mijn velletje rond het topje loslaat. Moet je daar weer een crèmetje op loslaten, of gaan spuiten met zout water.

Ik weet, en jij nu ook, ik kan me geweldig aanstellen, maar soms moet je je energie liefdevol kanaliseren richting genezing. Misschien probeer ik het wel te veel te negeren? Ik weiger vooralsnog een afspraak in te plannen bij mijn huisarts, want die ziet me aankomen, net als de rest van de ingezetenen van dit kikkerlandje die – maar – een weekje of twee te lijden hebben van deze virus, of misschien zelfs wel bacterie.

Pieken en dalen razen aan mij voorbij. Tijdens die pieken verschans ik me in een van mijn betere blogstemmingen aan mijn toetsenbord. Doe ik net of er niets aan het handje is. Ik heb eigenlijk – zo constateer ik nu – best wel talent voor het vinden van afleiding, dat andere mooie woord voor het onderwerp van vandaag. En als ik eenmaal voorbij het punt ben van die volmaakte aanstelleritis, lukt het me ook nog redelijk me te concentreren.

Tijdens de dalen vertoef ik in dromenland, als in dan slaap ik. Ik ben een zeer gezegend mens want slaap heel goed en diep, in sickness and health, for better or worse, wanneer ik eenmaal mijn snothoofd vlij op een zachtere oppervlakte. Ik ben dan zo diep verzonken in het slapen, dat ik me – als een kat die zich in zijn prooi vastbijt – bij het ontwaken wakker moet schudden. En in gedachten zie ik dan miljoenen bacteriën los dwarrelen in mijn domein. En waag ik zelfs een poging te begrijpen waarom iedereen eventjes op afstand blijft.

Ik verwonder me – net als jij – dat ik zelfs over een futiel onderwerp als dit toch wel zo’n 479 woorden kan verzinnen. En zelfs het lef heb, dat onverwijld het wereldwijde web op te sturen. Maar je snapt, ik moest even mijn energie kanaliseren…