Soms ervaar ik wat moeite met woorden, neem nou het woord: Blog, als je dat uit dient te spreken. Visueel zie ik dan iemand een oeverloze en voornamelijk teugelloze woordenbrij uitspugen. Ik ben dan ook niet trots op het woord. Daarom vertel ik het de meesten dan ook niet, dat ik blog.

Al staan mijn domeinnamen wel fier onderaan mijn e-mailhandtekening natuurlijk. En promoot ik mijn meest recent gepubliceerde posts wel overal, waar ik het op zijn plaats vind. Zelfs mijn familie weet dat ik blog, en recentelijk kreeg ik een complimentje als ze dachten dat ze mijn posts hadden gemist, terwijl ik gewoon weer eens aan het worstelen was met mezelf.

Maar ik dwaal weer eens af, het woord: ‘Blog’ zit me danig dwars. Ik heb dus eens gekeken naar alternatieven, maar die zijn er niet veel. Althans niet in onze taal. We hebben webdagboek, zelfkrant en zelfs webrubriek, maar in de meeste gevallen omschrijven ze totaal niet wat ik beoog met mijn schrijfsels.

Maar waarom dan toch meedoen?

Ongeveer vijf keer per week, en vanzelfsprekend altijd die keer dat ik meen iets te mogen plaatsen, gaat mijn innerlijke criticus wat intensieve vragen stellen. Met voornamelijk de vraag: ‘Hoe interessant is dit voor die ander?’

Ik voer aldus iedere keer een enorme strijd. In mijn kop. Lastig wel, want ik zie een ander wat wenkbrauwen fronsen, driftig nee schudden, en in het ergste geval: direct deze domein wegklikken.

Pas als ik heel demonstratief tegendraads dan mijn tong uitsteek tegen mijn innerlijke criticus, kan ik weer naar hartenlust iets schrijven. En nu besef ik dus plotseling wat mij persoonlijk drijft: ik wil toch een klein beetje zo’n tegendraadse revolutie tot stand brengen. Blijkbaar schuilt dat diep binnen in me.

Meestal zie ik schrijven als geschenk

Want ik mag stiekem ineens mijn spinsels, zelfs mijn gevoelens, ‘delen’. En men vindt er soms, heel complimenteus, een stukje herkenbaarheid in. Blijk ik toch ook een mens te zijn, zelfs al rebelleer ik stiekem tegen dat wat ik zelf ook het minste begrijp. Dat idee, dat rebelleren, dat uit zich maar minimaal in mijn schrijfsels, achteraf beschouwd. Het is louter het concept, vermoed ik, dat ik kán revolteren tegen het principe dat men de ‘vuile was niet buiten dient te hangen’. Dat ik me verzet tegen dat schijnbare stilzwijgend accepteren van oeuvres die er wel degelijk toe doen.

Godfried Bomans riep eens dat ‘men de drang om te schrijven moest wantrouwen, maar de wens om te formuleren dan weer niet.’ En zie daar ook weer dat stukje, dat men ogenschijnlijk zelf helder wil hebben, waar het om draait in het leven. In feite maak je dat eigen kleine stukje universum veel groter, daarmee.

Bloggen is voor mij dus dat pikante tintje aan mijn leven. Dat ondubbelzinnige obscene: ‘Kijk mij eens, ik publiceer dat zomaar!’ Gewoon scrabeus revolteren. Doet u mee?