Een autodeur slaat dicht. Beneden. Maar verder volmaakte stilte. Ik hoor het omdat mijn balkondeur op een kier staat. Het is 19 december, en ik hoef hier geen verwarming aan te zetten, omdat ik van boven en beneden uitermate doorverwarmd wordt.

In de verte toetert een auto. Verder: volmaakte stilte. Ik dacht niet, dat ik het ooit aan zou kunnen deze stilte. Het brommende geluid van de ventilatieschacht van dit complex is het enige wat je kunt horen loeien. In de stilte die overheerst.

Soms heb ik het heel erg nodig, die stilte. Dat ik dan mezelf kan horen denken. Dat je die gesprekken die je met jezelf voert in alle rust en gezapigheid kunt overlaten door die stilte.

Het is een poos geleden, dat ik mezelf zo een middag – of een aantal uurtjes toesta – er hoeft dan immers niks. Het enige wat mag is tot jezelf komen. Rust, stilte, regelmatigheid en reinheid. Zo zou dat moeten zijn.

Het is weer eens wat anders dan dat altijd maar doordraven, als een paard die eigenlijk geen zin heeft om te galopperen. Het is even geen muziek, geen radio, geen mensen om je heen, even geen geluiden anders dan die binnen in jezelf.

Dat is bijkomen.

Dat is genieten.

En hoewel ik dan moet denken aan dat liedje, “Het is zo stil in mij” van God mag weten die ook daarop kwam, ervaar ik niet die behoefte om het te beluisteren.

De stilte maant me tot niets. Het grote niets.

Het is al heel wat jaren geleden dat ik een hekel had aan zondagen. Aan rustdagen, stilte. Omdat ik me zo godsonmogelijk verlaten kon voelen door alles en iedereen. Dat alles wat je hoort het luiden van kerkklokken was op zo’n vroege zondagmorgen, en dat je die haatte, omdat het een soort van eenzaamheid op je afriep. Ik was er toen bang voor. Toen wel.

Nu niet meer. Als nooit tevoren waardeer ik die momenten van stilte als geen ander. Misschien waardeer ik het nu omdat ik meer hoor dan alles wat mijn oren ooit konden horen.