Het is 6 uur in de ochtend geweest. Ik ben al weken wat te ziek, grieperig, en hoest de longen uit mijn lijf. Dat komt door het roken, volgens mij. Alleen al het feit, dat het zo lang duurt.

Het is af en toe zo erg, dat hoesten, dat ik er misselijk van word. Half-kotsend trek ik mijn conclusie weer eens.
‘Whatever happened met mijn belofte aan mezelf dat ik de volgende 50 jaar gezond zou leven?’

Ik heb vervolgens mijn shag opgeborgen. Mijn grootste asbak waarin ik de peuken weggooi, blijft daar nog even staan. Als bewijs van de rotzooi wat roken echt is. Al die teer en nicotine die ik wegspoel, als ik deze asbak eens schoonmaak. Niet normaal meer.

Vervolgens heb ik een nicotine pleister geplakt op een plekje op mijn borst. Ditmaal is zo’n pleister 14 mg zwaar. Van de vorige halfserieuze poging om te stoppen weet ik dat ik 21 mg veels te zwaar vond.

Ik krijg mentale coaching van een praktijkondersteuner van mijn huisarts. Donderdag kan ze eraan.
Volgens R. mag ik naast de pleisters nog roken, al zal de behoefte door de pleisters veel minder worden. Je krijgt je shots immers binnen.

Nu moet ik alleen mijn handen nog vertellen dat ze een andere bezigheid moeten zoeken, en mijn brein dat de mist in mijn kop zal wegtrekken, uiteindelijk.

Ik heb me ook vanmorgen aangemeld bij stoptober.nl, om precies 6 uur. De app die zij verstrekt hebben staat al op mijn smartphone. Een eerste motivatie via die app is dat ik per maand € 232,50 en per jaar € 2.737,50 bespaar, en dat is omdat ik zo stom was om minstens 50 sigaretten per dag weg te stomen.

Ik verfoei de tabaksindustrie, die me deze verslaving heeft opgeleverd, naast al dat geld wat ik de lucht en mijn longen inblies.

Om mijn frustraties van me af te schrijven, heb ik nog een app gedownload. Elke keer als ik de neiging krijg op te geven, ga ik schrijven, omdat ik me sowieso wil houden aan de volgende regels:

  1. Uitstellen als je behoefte voelt
  2. Afleiding zoeken
  3. Een besluit nemen

We zijn nu anderhalf uur verder. Af en toe check ik mijn Nicotinell-pleister om er zeker van te zijn, dat het er nog is. Als ik inadem, doe ik alsof ik met dezelfde kracht kan uitademen. Het voelt – gek genoeg – nu al beter aan.

Ergens dacht ik altijd, dat iemand me minstens een maand in coma moest brengen, om deze verslaving de baas te worden. Nu weet ik, dat ik zelf krachtig genoeg ben om het te doorstaan. Zelfs als dat betekent dat deze maand – mijn geboortemaand – van iets mindere kwaliteit zou zijn, dan nog vind ik dat mijn wil groter moet zijn dan die verrekte onzin van een verslaving. Ik weet immers beter en wil ook beter.