Nee, ik houd niet van groen, behalve als ik buiten al die schakeringen in bomen en struiken, ja zelfs grassprietjes, ontdek. Dus, ergens – stiekem – heb ik wel bewondering voor die kleur. In mijn huis heb ik dan ook geen bloeiende planten, behalve op mijn balkon.

Ik vind ze wel mooi, bloemen, maar eigenlijk vind ik het afsterven uiteindelijk om om te huilen, zo in- en intriest, dat ik denk ik daarom binnen kies voor louter groene planten.

En ik kan juichen van elk nieuw takje, elk nieuw blaadje, dat aan ze groeit. Elk nieuw leven dat eraan groeit, kan ik mateloos aanschouwen, liefst met een vergrootglas. Ik wil het voelen, strelen en zelfs extra voeden, zodat het alle kans van slagen heeft. Wat heet: ik wijs mijn bezoekers er ook op.
Ik vraag me grijnzend vaak af, wat men dan achteraf van me denkt.

En ook, wat men denkt van die ronde kristallen bol die hangt voor mijn grote raam, wat als de zon schijnt, binnen kleine regenboogjes aan het plafond en de muren tovert. Ook daar wijs ik bezoekers op, die me dan vaak met grote vraagtekens in hun ogen aankijken. Mijn antwoord: ‘Positieve chi, dat is!’ Beetje geschift, zie ik ze dan denken. Maar goed, ik dwaal weer eens af.

Ik zal dus weinig groen gebruiken in mijn interieur of kleding, behalve dat ik dat wel toesta voor het plantengeweld in mijn woonkamer dat ik beslist nodig heb. Al was het alleen maar om frisse lucht hier toe te staan. Net zoals dat ik innig blij kan zijn dat in de Lente de balkondeur weer de hele dag open mag.

Ik had nooit gedacht dat dit stadskind daar zo intens van kon genieten. Voor iemand die ooit dacht dat komkommers net als augurken in een potje worden gekweekt. Ik had nooit beseft dat het me die rust schenkt als ik even daarbuiten vertoef, in het park of naar het bos. Dat dát groen die mate van sereniteit biedt, maar ja, het gras is nu eenmaal zo groen als men het beleeft.