Ik loop een groepje hangjongeren voorbij en ontmoet de ogen van een van de jongens die me toevallig aankijkt. Nog voor ik hem kan begroeten, vraagt hij:

“Heb ik iets van je aan?”

Ik glimlach eens, kan me maar al te goed m’n eigen jeugd herinneren. En dat ik me vaak ‘sociaal gecontroleerd’ voelde. Of is het woord bespied beter in dit geval?

“Nee hoor, dit is mijn wandelroute. Toedels”, roep ik hem achteloos na.

In mijn rechterooghoek bespeur ik twee jongens die iets wat lijkt op sigaretten opsteken. En ruik wiet. Het zijn mijn zaken niet en dus vervolg ik mijn weg.

Even verderop zie ik een politiewagen aan komen rijden zonder sirene. Blijkbaar waren ze reeds op de hoogte gesteld dat hier in de buurt ergens hangjeugd hun tijd spendeert. En ja hoor, ze slaan rechtsaf en weten precies waar die lui te vinden.

Ik weet dat er in de buurt iemand woont die zich sterk maakt tegen hangjongeren. En bij het minste geringste de politie alarmeert, handtekeningen verzamelt om de zaak aanhangig te maken, en zelf de grootst mogelijke irritante klier is. Kennelijk is hij vergeten hoe het was zelf jong te zijn.

Twee minuten later scheuren twee jongens op de fiets voorbij. Luid vloekend en tierend. Ik herken er eentje aan zijn korte broek van daarnet. Blijkbaar hebben ze een neus voor dit soort momentopnames. En zijn ze ‘m gesmeerd.

Inwendig grinnik ik.

Ze zijn de rest weer te slim af geweest.