Ik zocht naar een bepaald merk maandverband, maar wist de naam ervan niet meer. Zuchtte eens, want er waren er zo veel. Iemand botste met haar winkelwagentje tegen me aan. Ik keek even om. De kleding van de vrouw die tegen me aanbotste liet maar een spleetje zien waar haar ogen moesten zitten, wat nog eens werd verhuld door een grote zonnebril.

Ze fluisterde: “Sorry” en vervolgde vlug haar weg.
Verbeeldde ik me dat nu, of hoorde ik haar snikken? Ik besloot de vrouw aan te spreken. “Geen probleem, zelf weet ik nooit welk merk ik nu weer moet inslaan!” Opnieuw die snik, hoorde ik. “Gaat het wel goed met u, mevrouw?” vroeg ik. “Mag ik uw ogen eens zien?”

Twijfelend nam de vrouw haar enorme zonnebril af. Een paar vurige ogen, bijna zo zwart als maar zijn kon, staarde me aan. Vragend. Om de ogen heen, alle kleuren van de regenboog, qua blauw. Deze vrouw had duidelijk ruzie gehad. Iemand had haar bont en blauw geslagen. Ik schrok ervan. En wist niet zo gauw wat te doen.

De vrouw zette haar zonnebril weer op haar neus. Draaide zich om en liep snel weg, verdwaalde als het ware verder in de misère van haar leven en overige supermarktpaden.

Maar het was al te laat, immers al mijn alarmbellen en toeters waren inmiddels afgegaan. Deze vrouw had hulp nodig. Ze vroeg er niet om, daarnet, gedurende dat ene moment dat ik even in haar ziel mocht kijken.
Ik moest nu een strakke actie bedenken. En ergens onderweg verzinnen hoe ik haar uit deze toestand kon bevrijden, als ze me dit al toe zou staan.

Ik besloot haar te volgen naar de kassa’s. En liet mijn boodschappen maar even voor wat het was, daar in dat mandje.
Ik stelde me verdekt op en wachtte tot ze haar boodschappen had afgerekend. Toen, voorbij de schuifdeuren, sprak ik haar opnieuw aan en zei: “Ik weet, dat ik me niet met uw situatie mag bemoeien! Ik weet, dat het mijn zaken niet zijn… maar als u hulp nodig heeft, dan mag u me altijd bellen op dit telefoonnummer…” En overhandigde haar mijn laatste visitekaartje.

Ze keek er even naar. Nam het aarzelend aan. Mompelde: “Dank u” en vervolgde opnieuw haar weg.

Seconden, minuten, uren gingen sindsdien voorbij. Ergens hoop ik dat ze de kracht zal vinden me te bellen. Wellicht tevergeefs. En twijfel nu hard aan mezelf of ik me misschien te veel heb opgedrongen. Misschien had ik haar ergens moeten trakteren op een kop koffie om haar verhaal aan te horen? Misschien had ik gerichtere vragen moeten stellen? Misschien… maar… Waarschijnlijk zal ik het never nooit niet weten.