Volwassen worden is één ding. Het aanhoudende gevecht daarmee is de volgende. Steeds weer ploetert het kind binnen in me om terug naar af te gaan. Steeds weer zou ik me liefst weer in de schoot van di Mama werpen om nog even vertroeteld te worden, geknuffeld en dan losgelaten om me weer te kunnen storten op het kinderspel op de vloer. En elke keer weer word ik als in een waas teruggeworpen op mezelf.

Het leven voltrekt zich raar genoeg in omgekeerde fasen. Waar jij ooit kind was en werd begeleid naar een volwassen wereld waar je om het even het spelletje bleef spelen, komt ooit die dag dat je je situatie moet omdraaien. Je ouders worden je kind. En hoezeer ik ook tegenspartel, zoek naar mogelijkheden om weer even terug te keren naar dat oude vertrouwde, moet ik helaas constateren dat het nu mijn beurt is. Ik moet volwassen worden en rap.

Het kost moeite, tranen, geduld en soms ook een schaterlach.

Als altijd trek ik me soms even terug in mijn eigen vertrouwde wereldje en speur naar grenzen. Niet alleen naar die van mij, maar ook van anderen. Hoever mag ik, hoever kan ik gaan?

Het spartelen lijkt me soms teveel op het dreinen van een kind die haar zin niet krijgt. En dat dreinen, daar kan ik zelf niet zo goed tegen. Dus schud ik mijn manen eens. Recht mijn rug. Doe wat ik moet doen. Terwijl ik ondertussen worstel. Niet alleen met mezelf, maar ook met de situatie. Met mijn leven, mijn keuzes, en de absurditeit van mijn verlangens.

Niemand vertelde me ooit dat volwassen worden dit van me zou vragen. Van me zou vergen.

Dus spartel ik alsmaar verder en vergeet soms dat het leven gerelativeerd moet worden. Is het niet vanwege het kunnen lachen om jezelf, dan toch wel omdat het buitenproportionele gevoel daarmee een duw in de juiste richting krijgt. En dat je je dan iets realiseert; je mág volwassen worden, het hóeft echter niet.

Et voilà, dan ben ik plots weer mijn oude zelf…