Ik zag dat een jochie op een gevaarlijk randje stond te balanceren. En zijn vriendjes keken ernaar. Hoewel ik me vroeger wel tien keer had bedacht nu niet, en stapte er op af.

“Jong! Je staat daar gevaarlijk te zijn. Eén verkeerde move en je valt te pletter. Dat wil je toch niet?”

Hij keek me ietwat spottend aan, maar zei niets.

Eén van zijn vriendjes kwam dichterbij en lachte luid. Samen wisten ze blijkbaar even geen raad met de situatie. Zij niet, maar ik ook niet. Ze moeten een jaar of tien, elf zijn geweest.

Ik haalde m’n schouders maar even op. En wandelde door.

Nu zit ik me af te vragen, waarom ik niet wat meer gewicht in de schaal heb gelegd door hem te dwingen van die richel af te klauteren. Maar ook, of ik me er wel mee moet bemoeien?

Het gaat me er maar om, dat zo’n jong dat niet op vrijwillige basis doet. En dat ik weet dat zijn ‘vriendjes’ hem dit onredelijke voorstel kunnen hebben gedaan. Wordt ‘ie gepest? Je weet het waarschijnlijk nooit?

Wat ik wel weet is dat ik hem met een begripvolle blik heb trachten te redden, al baat dat op zo’n moment niet.

Net als toen vroeger die kleinste mede-scholier door een grote groep werd getreiterd. En ik erop afstapte en de grootste en stoerste van de groep die trap in z’n kruis gaf waarna we samen hard wegrenden, het kleinste ventje en ik. De rest in verbazing achterlatend. En ik mijn hele schoolcarrière lang door dat gepeste joch werd voorzien van glacé’s en andere traktaties, blijkbaar als een vorm van dankbaarheid.

Driftig nee schuddend voor mezelf, probeer ik het geval naast me neer te leggen. Ik raak het waarschijnlijk nooit kwijt dat niet weg kunnen kijken. Ik leer het niet af…