Ik ging naar huis na die verrekt moeizame dag op kantoor. Die wat intensieve en superirritante gesprekken met die twee armzalige belastinginspecteurs, die bijna elk kwartaal langskwamen om zelfs mijn derrière met een microscoop door te lichten, hadden mij en mijn dag ietwat gesloopt.

Ik zag ze daar al staan bij mijn voordeur. Twee dienders. Politie-materiaal. Ik keek ze eens aan, en zonder dat ik erom vroeg, identificeerden ze zich. Mijn arrestatie was een feit, zeiden ze en ik moest mee naar het politiebureau. Onmiddellijk.

Terwijl ze me in de boeien sloegen, las één van hen me de Miranda waarschuwing voor, maar ik onderging dat alles als in een staat van algehele verdwaasdheid. Was ik nu gearresteerd wegens belastingfraude of was het het officieel beledigen van een officier in functie? Het kon beide zijn, dat wist je maar nooit. Ik kon het ook niet meer aanhoren, zo moe was ik van dit soort ongein, dus liet ik het maar gebeuren. Als in een ijzige kalmte, dat dan weer wel.

Op het politiebureau volgden wat administratieve acties, nog steeds met de handboeien om. En uiteindelijk werd ik overgebracht naar een penitentiaire inrichting verderop in de stad.

Nadat ook daar de nodige administratieve zaken waren voltooid, mochten die wringende handboeien eindelijk worden afgedaan. En werd ik geëscorteerd naar de eetzaal, zo te zien, met een wat karig buffet waar een hele rij stond. Ik sloot achter aan, want mijn maag had zich al enkele malen danig geroerd. Het vreet energie als er dingen buiten je eigen macht omgaan. En ik besloot maar iets te eten, en in gedachten mijn zaken op een rijtje te gaan krijgen.

Even stond ik daar, niet wetende aan welke tafel ik kon aanschuiven. Ik besloot niet moeilijk te doen, en gewoon alleen ergens te gaan zitten. En wat aandacht te besteden aan het prakkie wat voor me lag. Dat duurde niet lang. Blijkbaar had ik de interesse gewekt van een van de dames daar. Ze stond opeens voor mijn neus met haar dienblad en schoof aan.

‘Waarom zit jij hier?’

Langzaam keek ik op. Het zou waarschijnlijk niet interessant genoeg klinken. Geldzaken, belastingproblemen, ruzie met een diender, maar ik meldde het precies zo.

‘En jij? Wat brengt jou hier in dit verrukkelijke oord?’

‘Men vermoedt dat ik mijn man heb vergiftigd, als ook mijn eerste ex-man. En die daarvoor.’ Ze keek me verwachtingsvol aan, en grinnikte omdat mijn pupillen zich toch iets verrieden, denk ik.

Al keek ik er niet eens zo van op. Wij vrouwen kunnen dat. Wij zijn daartoe wel in staat. Wie niet sterk is, moet slim zijn. Dus ik wierp haar een begripvolle blik toe, maar ergens rilde ik. Zou ik nu mijn laatste maaltijd nuttigen? Hoe makkelijk was het dat vergif een gevangenis in te smokkelen, after all?

Badend in het zweet werd ik wakker. Was het weer een droom geweest? Ja, mijn slaapkamer leek als vanouds…