Terwijl ik de wachtkamer van mijn huisartsenpraktijk binnenloop, begroet ik de vier reeds aanwezige mensen en neem plaats. Gelukkig is het vanwege de vakantieperiode blijkbaar niet zo druk.

Na een kwartier komt er een stel de wachtkamer in die mij alleen gedag zeggen. Wat me verbaast, de andere drie mensen zijn een moslima met haar twee jonge kids. Natuurlijk worden die kids wat balorig van de wachttijd, lijken zich stierlijk te vervelen, en zijn nadrukkelijk aanwezig.

“Ach ja”, zegt de vrouw, die van het stel die later binnenkwamen, hardop. “Jongens, mogen bij dat soort mensen blijkbaar álles doen en worden niet gecorrigeerd.”
De man bromt haar iets toe, wat de boel moet vergoelijken.

Ik versta dat laatste gelukkig niet helemaal, want ik bloos – plaatsvervangend – tot aan mijn oren toe van de opmerking van die vrouw. Ik weet niet of die mevrouw moslima het verstaan heeft. Ze laat er niets van blijken in ieder geval.

Dat mensen hardop denken vind ik prima, maar niet als je per definitie negatief bent ingesteld. Je afkeuring zo overduidelijk laten blijken vind ik buitenproportioneel schaamteloos. Je zou die mensen bijna verplichten een stevige cursus te volgen, genaamd ‘Verdraagzaamheid jegens de mensheid in het algemeen én bijzonder in het dagelijks leven’.

De kids speelden natuurlijk hun eigen spel, en leken hun grenzen en die van hun moeder te verkennen. Wat mijns inziens een normaal gedragspatroon van kinderen is. Hun moeder corrigeerde haar kroost nadrukkelijk wel, zelfs toen ze even werd afgeleid door haar telefoon.

Zulke kleine ergernissen zou ik bijna opbiechten aan mijn huisarts, maar daar kwam ik niet voor. Al is exceem wel een dingetje die er bij mij door ontstaat – het hakt erin – want het zijn dat soort verhalen die de wereld in negatieve zin kleuren. Té negatief naar mijn zin. Ik word er nogal obstinaat van persoonlijk. En ik kan me zo voorstellen, de rest van de wereld ook…