“Echt! Overal zijn toeslagen voor. Die mensen ontvangen zoveel geld – voor het niks doen – dat ze toch geen moeite meer willen doen voor een baan?!”

Ik zat erbij. En voelde de steek onder water. Ik weet van wie het komt. Ik weet hoe ik erop zou moeten reageren.

Niet!

En toch – toch – voelt zo’n oordeel elke keer weer als een klap in mijn – eigen – gezicht.

Eigenlijk wil je niets zeggen, want je weet dat deze mensen zelf altijd hard gewerkt moeten hebben. Je weet – heel misschien ook – dat ze misschien niet jou op het oog hebben. Je weet dat je niet het mikpunt bent.

Maar toch voel ík me persoonlijk aangesproken.

Ik ga dan – nadrukkelijk – wel vertellen over verhalen van collega-bloggers die het niet zo ruim in hun budget hebben. Ik vertel over mensen die elke cent tien keer om moeten draaien voordat ze toch weer – en nog een keer – aarzelen tot aanschaf over te gaan.

(Ik dacht immers ooit ook zo. Twintig jaar geleden, toen ik zelf wel een baan had. Toen het leek alsof de hele wereld voor me open lag. Toen de banen nog voor het oprapen lagen. Toen de tijden anders waren.)

Ik zie dan dat mensen even een prop weg moeten slikken. Heel even. Dat laten ze natuurlijk niet blijken. Maar ik zag ’t dan maar weer mooi wél.

Het is zo jammer dat dat oordeel – de veroordeling – in zo’n heftigheid aanwezig is. En dat mensen zo klaarstaan met een mening, terwijl ze beter zouden kunnen weten. Omdat je weet dat ze het nieuws kijken, de kranten lezen, zich over alles laten informeren.

Tegelijkertijd weet je – dat zo’n oordeel – makkelijker is.

Je hoeft immers dan niet mee te leven. Je hoeft dan geen schuldgevoel te hebben omdat jij het wezenlijk beter hebt dan die ander. Je hoeft er immers niet over na te denken dat anderen misschien wel piekeren hoe ze aan het eind van de week toch iets degelijks op tafel kunnen zetten.

Het leven van anderen is immers een gefantaseerde werkelijkheid.