Mijn moeder roept het al járen: ‘jij bent extravagant’. Ik pas niet in een hokje. En als men me nieuwsgierig schattend aankijkt, krijgen ze steevast een andere kant te zien, van wat men – tja, hoopt – of qua vooringenomenheid vaststelt.

Het is dat masker. Ik laat mezelf niet gauw kennen. Hoop ik.

Dat extravagante was – toen al – een teken aan de wand. Op geen enkele manier paste ik in een schoolkader. Classificeringsstelsel. Of het gymlokaal. Ik voelde me ook anders dan anderen.

Al mag ik met trots stellen dat ik eerlijk gezegd niet weet hoe anderen zich voelen. Nog steeds is dat onveranderd. Ik ben een buitenbeentje. Soms probeer ik me aan te passen, dan zet ik mijn pretoogjes aan, draag wat leuks, toon me geïnteresseerd. En God zal weten, dat het helpt. Voor een momentje of twee. Men schijnt me te dulden.

Maar dat is natuurlijk never nooit niet goed genoeg. Noem het ‘blond ambition‘. Noem het onzekerheid. Ik wil altijd méér. Ik wil gelezen worden. Mijn lezerspubliek is me niet groot genoeg.

Er is een tijd geweest, ooit, dat het groter wás. Toen schreef ik nog in alle oprechtheid wat het pad was dat me bracht tot hier. Dat was geen simpele weg, daar kwamen veel psychiaters aan te pas. Dat maakte me echter niet sterker dan de bedoeling was. En dus ging ik schrijven. En voelde me langzamerhand meer een betere versie van mezelf worden.

Nog altijd hoop ik dat ik ‘ontdekt’ zal worden en gewaardeerd als sublieme extravaganza. Een woordenkunstenaar die ongecompliceerd dóór babbelt over schijnbaar belangrijke zaken. Een blogger die het licht – inmiddels – heeft gezien. Een blogger die het niet nalaat vooral over zichzelf te schrijven als de enige vorm die mogelijk is in Kunst. Maar vooral iemand die schrijft om weerstand te trotseren en zichzelf te overleven…