Ik begreep het nooit die spreuk. Ik vond altijd dat je het mensen moest gunnen, dat leven. Zelfs als hun leven uit niets anders dan negativiteit bestaat. Ik begrijp ook de noodzaak tot het leven van een ander benemen niet. Ik voel die noodzaak niet. Als iets me niet bevalt, zet ik die ander heel even in een *negeerstandje*. Totdat ik – zelf – die ander weer op een plezante manier kan bejegenen, that is.

Vanmorgen las ik een artikel dat onze vrijheid van meningsuiting verdwenen is. En dat vind ik een heel kwalijke zaak. Ik begrijp dat we nu – als altijd – in een multiculturele samenleving wonen en dat we ons allemaal moeten aanpassen. Ik begrijp, dat er van oudsher gevoelige onderwerpen zijn, waar we – met z’n allen – niet over ‘mogen’ praten.

Wat ik niet begrijp is dat humor er niet – meer – is. Als er iets is, wat mensen bindt, dan is dat humor, naast muziek, maar dat terzijde. Dat laatste is ook weer zo smaakgevoelig.

Maar misschien moet ik zelfs dat begrip loslaten. Om een nieuw leven te beginnen. Het wordt alleen allemaal wel verdraaide saai op deze manier. Nee, ik wil je nu niet doodgooien met het principe dat een dag niet gelachen, niet geleefd is. En dat al die spieren die dan gaan werken als je al lacht je wezen met 1.001 procenten in de plus – dus geluk – stijgt. Ik wil je niet bewerken.

Ik wilde alleen dat men eens – minder – serieus naar zichzelf keek, en dan met een knipoog weet terug te kijken op zijn/haar eigen leven en patronen. En ook dat je dat koestert, maar niet genoeg om er niet om te kunnen lachen…