Bevond ik me daar ineens in een trein, zeg. En dan zoek ik automatisch standaard zo’n ruime plek op waar nog drie mensen kunnen aanschuiven. Kan ik ongegeneerd staren, en openstaan om een boom op te zetten met wie weet wie er losbrandt?

Die avond hoefde ik niet lang te wachten. Een wat oudere knappe en gedistingeerde dame nam plaats tegenover me. Ze had donker haar, en was het type Indo met zo’n huid die na een middagje op een terrasje al gezond bruin kleurt. Ze deed nog een poging een oudere versie van de Metro te lezen, die daar achteloos rondslingerde. Maar ik staarde haar natuurlijk wat naïef aan. Over de krant heen wierp ze me een wat verlegen glimlach toe. Uiteindelijk zuchtte ze eens diep, na even uit het raam te hebben gestaard en zei:

“Ja, dat nieuws, daar word je beslist niet vrolijker op!”

Was dat de ingang voor die boom? Ik schudde mijn hoofd maar eens begripvol.

“Neem nou de GGZ. Ik ben Psychiatrisch Verpleegkundige. Mijn handen jeuken, want al gaat het beter met de economie nu, dan nog zal de zorg het laatst aan de beurt komen die profijt zal hebben van die vooruitgang. Té triest voor woorden!”

Mijn sympathie voor deze bloedmooie vrouw groeide terstond, dat snap je. Dus dacht ik dat een doortastende vraag haar misschien nog verder zou verleiden, en dat deed het.

“Vandaag heb ik drie visites afgelegd bij drie cliënten, waaronder een zwakbegaafde vrouw die samenwoont met een man die geen hulp krijgt, maar wel in een continue staat van psychose verkeert. De volgende cliënte die niet in staat is ook maar enigszins ‘volwassen’ relaties aan te gaan vanwege de enorme trauma’s uit haar jeugd. En vervolgens de laatste patiënt, die vrijwel onmogelijk geclassificeerd kan worden maar temidden van zo’n chaos in zijn huis én hoofd niet meer in staat is andere mensen onder ogen te komen en eenzaam is. Gewoon alleen een kop koffie met mij wil drinken, al behoort dat eigenlijk niet eens tot mijn takenpakket.
Snap jij nu, waarom ik af en toe snak naar ‘normale’ mensen zonder bagage?” En terwijl ze dit zei, deden haar vingers aanhalingstekens na.

Ik grijnsde maar eens vriendelijk haar kant uit en zei dat ik dat beslist niet verwonderlijk vond. We raakten nog wat uitgebreider aan de praat, en voordat we het wisten waren we aangekomen bij het station waar we gezamenlijk – blijkbaar – moesten uitstappen. En omdat ik haar zo sympathiek vond, waagde ik het haar uit te nodigen om nog even van die mooie dag na te genieten met een softijsje…