Het is nu drieënhalf jaar geleden dat je overleed. Bij vlagen – op de meest onverwachte momenten – kan ik hevig terugverlangen naar je aanwezigheid. Je glimlach, dat klopje op mijn knie, de bemoediging, en de vragende blik als je iets niet van me begreep, dat mis ik. Ik mis je kernachtige grapjes en je droge opmerkingen die ons allemaal in een stuip deden belanden.

En elke dag, wordt me meer dan eens duidelijk dat ik steeds meer op je lijk. Qua woordenkracht in het fysieke. Maar ook qua beschouwing op de wereld.

Voor ons beiden stond ons innerlijke leven op de eerste plek. Introversie was ons niet vreemd.

Meer dan eens vroeg ik me vroeger al af of jij ook dat gevoel had soms niet op je plek te voelen in een gezelschap, getuige de rust en stilte die je dan uitstraalde. Nu later – veels te laat – vraag ik me af, waarom ik dat destijds nooit bespreekbaar heb gemaakt. Ik had nog zoveel meer van je kunnen leren, immers.

En zo zijn er nog veel meer vragen die ik nu heb. Vragen die nooit beantwoord zullen worden.

Af en toe krijg ik het gevoel dat je toch nog steeds complimenten uitdeelt, dat je daarboven op die wolk ons blijft volgen en me aanmoedigt, omdat ik deep down wel weet wat je zou hebben gezegd.

After all, draag ik je karakter diep binnen in me met me mee. En als ik het nodig heb, open ik dat geheime doosje, en laat ik je weer even – als vanouds – een gesprek met me aangaan.

Ze zeggen wel eens dat het verdriet om een overledene minder wordt naarmate de tijd verstrijkt, maar niets van dat alles. Integendeel, des temeer ik mezelf leer kennen, des te beter ik weet dat ik nu meer op je lijk dan ooit. Vandaar dat ik je guitige oogopslag, je blikken, en je wijsheid nooit werkelijk zal vergeten.

Al was je altijd die stille kracht, je was wel dat prominente wezen die mijn leven richting gaf. En nog steeds doet, al is het daar vanaf een wolk.