Ik dacht altijd wat verwijtend richting mezelf, ik doe het een beetje té goed, dit leven, als rechtgeaarde Bourgondiër. De kilo’s vliegen en blijven er momenteel aan. Ik doe met alles gewoon gezellig mee. Brokje kaas? Nou lekker, dank je. Bitterbal? Wauw, ja, doet u mij er maar drie! Biertje, chipje, nootje, nee, ik ga ze niet uit de weg hoor. En dan zie je mensen kijken, maar vooral denken.

Het kan me niet zoveel meer schelen, weet je. Ik heb niet die ambitie meer, die partner te zoeken en vast te houden. Ik heb zo’n beetje sinds mijn geboorte een strijd moeten voeren, tegen de fratsen van mijn schildklier, en tegen dat jojo-effect van al die diëten. En vooral, ik ben die kwetsende blikken, de tips waar ik niet om vraag, en het louter zijn en denken van überMenschen die menen dat slank zijn hun grootste verdienste is in dit leven, echt wel beu.

“Ja, maar patat hoef je niet lekker te vinden!” aldus een van mijn vorige diëtisten, die dat soort slogans zonder blikken of blozen durfde te stellen. “Het is gewoon even die knop omdraaien.”

Ik denk dat ze dat knopje niet geïnstalleerd hebben bij mij. Ik weet het eigenlijk wel zeker.

Ik klaag dan ook niet. Want joepie, af en toe, roept mijn familie dat het ‘nu toch wel de spuigaten uitloopt’. En dan hou ik me voor even kedin. En ik geef toe, als zij dat niet zouden doen, zou ik een goede kandidaat zijn voor dat programma ‘Obese’, al kijk ik er lekker nooit naar, natuurlijk.

Zoals anderen medelijdend kijken naar mij, zo denk ik met diezelfde compassie over dat graatmagere van die supermodellen op tv en in het nieuws.

En mijn wraak is superzoet als het nieuws roept dat een dikke kont een teken is van méér intelligentie en gezondheid. Hoewel ik toegeef, dat dat mij werkelijk niets verwondert…