Aan het eind van de dag bereikten we die camping met dat felbegeerde meertje, wat met deze warmte met recht aanlokkelijk was. En bij het aanschouwen van zoveel water kreeg ik zelf ook aandrang. Dus liep ik op het wc-gebouwtje af en trok een deur open. ‘Huh?!’ geen wc zag ik. Dus sloot de deur en opende een volgende deur, en nog een. Opnieuw een zelfde gapend gat in de grond. En achter élke wc-deur die ik opende.

Met een onpasselijke blik van de meur die me tegemoet walmde, en de viezigheid die zowat van de muren afdroop, draaide ik me om met grote vraagtekens in mijn ogen: ‘Het zou toch niet, zo populair zijn wc-potten toch niet, dat ze allemaal gestolen waren?’

Mijn ouders stonden op een afstandje mijn eerste ontmoeting met Franse hurktoiletten te bekijken, en te grinniken.

‘Dat wordt mikken, meid!’ zei mijn moeder, half spottend.

Ik denk dat ze zo ongeveer wist wat ik dacht op dat moment. Nog liever tegen een boom, ergens in dat enge bos verderop, dan mijn lange broek te moeten bezoedelen.

Het werd nadien een gewoonte van me, sinds die ervaring, om elk toilet eerst te inspecteren als we ergens op een andere camping aankwamen. En nog steeds mijd ik Frankrijk als de pest, al roept men nog zo dat de situatie sindsdien aanmerkelijk verbeterd is.

En het vreemdste van die Fransen mocht ik ervaren te midden van dat meertje. Een Frans joch begon uitgebreid een babbel af te vuren op me, terwijl ik daar rustiek lag te dobberen in een rubberbootje. Ik waagde het nog hem in mijn beste Frans uit te leggen:

‘Je ne parle pas Français!’

Hetgeen hem totaal niet deerde, want hij bleef maar kletsen tegen me. Wat me ineens deed begrijpen wat ze toch bedoelen met ‘Rien n’est facile, mais tout est possible quand ils sont con comme un balai’ (Vrij vertaald: ‘Niets is makkelijk, maar alles blijkt mogelijk als men zo stom is als een bezem.’)

Euhm… volgens mij was dit dan ook mijn laatste vakantie daar…