Ik lach eens naar mezelf, geef een knipoogje naar de spiegel. Doe verwoede leunpogingen. Zet mijn handen eens op mijn heupen. ‘Nee. Dat staat al té pompeus!’ Spreid mijn benen. Vouw mijn handen samen, bijna alsof ik bid. ‘Nee, da’s geen open houding, denk ik bijna direct.’ ‘Waar laat ik toch in vredesnaam mijn handen? Die zijn totaal overbodig in dit geval.’

Oefenen in een presentatie, een verhaal vertellen over mezelf. Wat is leuk? Wat is interessant voor die ander? Innerlijk weet ik dat ik op het moment dat ik daar sta die presentatie subiet overboard gooi en van mezelf die drastische spontaniteit verlang. Met humor.

Ow, ik heb het vaker gedaan. Ik heb voor de klas gestaan, technische zaken uit de doeken gedaan en het werd een chaos. Mensen die voordat ik was uitgesproken me met vragen begonnen te bestoken. Niet dat verhaal uit wilden luisteren. Het is een les apart dat luisteren. Maar dat terzijde.

Vannacht had ik aldus een nachtmerrie. Ik kon tijdens dat verhaal absoluut niet uit mijn woorden komen. Begon te stotteren, te stamelen, kreeg het er notabene zo warm van dat de perspiratie uit alle hoeken en gaten kwam. Het publiek begon te giebelen en te lachen, want niets is komischer dan iemand die er willens en wetens een puinhoop van maakt. Of dat ze juist denken dat ze met de situatie geen raad weten en uit plaatsvervangende nervositeit alleen maar kunnen lachen. Terwijl het om te huilen is. En dat gebeurt dan ook. Huilend werd ik afgevoerd, vannacht.

‘Stel je niet aan!’ is de eerste gedachte bij het wakker worden.

Het mag zo langzamerhand tijd worden dat die verlegenheid voorgoed afgeschud wordt. Ik ben ik. Ik heb een verhaal. Ik kan dat. Zonder blikken of blozen zal ik mijn verhaal vertellen met een anekdote waar je u tegen zegt. Die nachtmerrie was alleen maar bedoeld om het tegendeel te bewijzen…