Van de week was daar dat moment suprême. Ik mocht ergens – samen met nog wat andere nerds – bijeenkomen om mijn talenten te laten zien. En mijn hemel, wat was ik in aanloop supernerveus voor dit evenement, want wat als ik op de een of andere manier toch achter bleek te lopen op de rest, wat als ik niet kon voldoen aan hun eisen en wensen?

Je moet weten, de manier waarop ik mezelf presenteer is best wel een paradox. Ik ben – in tegenstelling tot wat men misschien van mij zou verwachten – een waarlijke prinses. Ik houd ervan om me goed te kleden met colbertjes, jurken en rokken, mooie panty’s. Ik houd van make-up. A touch of – fatal – feminity. Ik houd ervan dat een uur na mijn afscheid, men nog die zware parfum kan ruiken. Daar ze dan maar onthouden, en vooral niet vergeten, dat ‘I was here!’

Dat beeld maakt altijd wel, dat men – en je ziet ze denken – dan een bepaalde indruk van je krijgt. En dat je dan keihard moet boksen – voor je gevoel, dan hè – om toch mijn herseninhoud een kans te geven.

Als dat totaalbeeld dat men aan het eind zo’n gesprek van me heeft, dan klopt, dan pas word ik heel blij, maar dat terzijde.

Er volgde een voorstellingsronde, zodat iedereen de kans kreeg zichzelf te presenteren. Ik liet iedereen gestaag voorgaan. Voornamelijk om wat kalmte ende jolijt te hervinden in mezelf. Dat lukte wonderwel. Daarna werden we betrokken bij een soort van brainstormsessie, en bespeurde dat ik me op zo’n moment echt super goed kan uitdrukken.

Mijn kennis blijkt zelfs heel relevant. Mijn geeky instelling de afgelopen jaren is overduidelijk niet voor niets geweest.

Ik voelde mezelf nadien groeien en bloeien. En dat maakt natuurlijk dat ik terecht met trots mag vermelden dat ik het er goed heb afgebracht. Wat heet: ik moet me nu gaan afvragen – en aarzel een beetje – om die werkgever te vertellen wat ik nu werkelijk van die baan vind…