En plein public ben ik altijd wat onhandig. En dat is om je dood te generen. Ik kan bijvoorbeeld absoluut niet met stokjes eten, wat niet meehelpt als je graag bij de Jap eet.

That is, als ik alleen ben wél. Maar dus niet als er anderen bij zijn, dan ga ik lopen klunzen, en dan ben ik opgelucht als iemand een vork vraagt om me van de totale vernedering te sparen. Zelfs dan, presteer ik het om mijn vork meerdere keren á la grond te laten stuiteren. En die op te pakken alsof er liefst niets gebeurd is. En verder te eten zonder te controleren of ik niet toevalligerwijs een of andere gevaarlijke bacterie van de grond meeneem.

Het is nu eenmaal iets in mijn gestel of mijn motoriek. Ik ga prompt stunt(el)en in gezelschap. En dat wekt bij mij irritaties op. En bij die ander, naar ik vermoed, lachstuipen. Wat nog wordt verergerd omdat ik er vierkant bij bloos en een beetje drift dan wel nijd vertoon.

Nu kan men beter om je lachen dan om je huilen, is mijn persoonlijke wijsheid. Maar als je zoals ik 47 ben, going on 48 soonest, dan mag je toch wel verwachten met een volwassen mens te maken te hebben. Echter, ik leer het niet af.

Ik struikel ook graag in het bijzijn van iemand die ik graag mag. Of ik stort mezelf in diens armen. Per ongeluk. Niet expres.

Het lijkt wel of ik zo opga in die ander dat ik prompt mijn eigen houding totaal vergeet. En dan prompt een flater sla. En dat ik dan nadien zo gegeneerd ben dat ik me afvraag wat die ander wel niet van me moet denken. En dan moet ik me in duizend bochten wringen om die ander dat beeld van me weer te laten vergeten.

Vaak lukt dat wel, tot het volgende dinertje, dan word ik weer zo fijn met mezelf en mijn onhandigheidjes geconfronteerd.

Mijn handen, mijn lichaam, wij zijn wat ongecoördineerd samen. Het lijkt wel of dat het laatste beetje restje aan charme is wat me wordt ontnomen. Alsof er daarboven iemand aan het werk is die het wel geinig vindt om me dat kleine beetje onhandige te laten demonstreren. En dat ook graag in de hand werkt. Soort van genoegdoening. Soort van ‘Nou, meid, je kunt nu eenmaal niet alles hebben!’