Ik weet het, je bent maar een apparaatje. En meer dan eens vraag ik me af waarom ik je niet beter verzorg, vooral als het moment daar is dat je plots dienst weigert.

Ik weet het, er kwam nogal veel op je af gisteren. Het strand, de harde wind, mijn verwoede pogingen om toch die gesprekken mee te krijgen. Terwijl we met vier kletsende volwassenen plus een kind in de auto onderweg naar huis reden.

En dat je dan heel langzaam de geest geeft. En me dat gelijk opvalt omdat het geluid dimt.

En ik – bijna tot huilens aan toe – probeer je weer tot leven te wekken. Ik schonk je dat versche batterijtje. Ik probeerde je aan alle kanten lief toe te spreken en toen dat niet lukken wilde, werd ik innerlijk razend. Ik implodeerde bijkans.

Ik werd weer dat kleine meisje die haar zin niet kreeg. Wiens wereld instortte omdat iets niet helemaal perfect was.

En wat wilde ik graag schuilen in het verste hoekje van de kamer, en dat niemand me verder nog zag. Me nog opmerkte. Ik ben namelijk van generlei nut meer als ik de communicatie tijdens het eten niet meekrijg. Ik hang er dan maar een beetje bij. En dat voelt zó ontzettend waardeloos dat mijn zelfrespect tot ver onder het nulpunt afzakt.

Het gaat allemaal zo verdomde goed, zolang je maar werkt. Dan pas ben ik compleet. Dan pas kan ik functioneren, that is, als al die anderen als in mensen aanwezig zijn.

Als ik thuis in mijn up ben, dan hoef je het even niet te doen. Dan schenk ik je die rust. En mezelf totdat het moment daar is dat je als verlengstuk van mijn bestaan dat recht uitoefent.

Ik kan me nog goed herinneren dat moment dat die KNO-arts me jullie adviseerde. En ik dacht dat ik toch mooi niet aan hoorapparaatjes zou gaan op mijn zesentwintigste, ik was immers nog niet bejaard.

Ik weet nog dat de KNO-arts me vertelde dat ik jullie zes weken op proef mocht. En dat ik toch tamelijk nieuwsgierig werd. En dat toen die wereld voor me open ging.

Dat ik weer vogels hoorde fluiten. Dat die bus die vlak voor me een noodstop maakte met piepende remmen me bijna aan een hartverzakking hielp. Maar dat ik gaandeweg opbloeide en mijn aangeboren argwaan richting de mensheid verdween naarmate ik meer kon meedoen met spraak en horen in mijn directe omgeving.

Ik weet dat ik toen opbloeide. Dat ik jullie zo nodig heb om te zijn wie ik nu ben geworden. Ik weet dat als je plots niet meer kan doen wat je geacht wordt te doen mij innig triest maakt. Tot het moment komt dat je de reparatie hebt doorstaan en ik je na een denkbeeldig kusje weer plechtig plaats laat nemen in mijn oorschelp.

Dan gaat de wereld voor mij opnieuw een beetje open…