‘Ik ben blij dat jij zo fijn de weg weet in mijn keuken,’ aldus een van mijn eerste serieuze vriendjes. Ik moet toen een jaartje of 21 geweest zijn. En zijn opmerking bezorgde me niet alleen direct de koude rillingen, maar ook de wens om te vluchten. Dat deed ik. Ik vluchtte, niet alleen voor die relatie, maar ook voor alle overige perikelen die schijnen te horen bij het huisje-boompje-beestje-principe.

Sindsdien is mijn niettemin licht ontvlambare aard wel verwikkeld geweest in wat kortstondige verliefdheden. Maar dat nam af, zodra bleek dat van mijn kant een soortement van ‘vrouwelijke’ kant werd vereist. Die van zorgen voor, schoonmaken, en de hoer spelen als het de man goed uitkwam.

Laatst kwam ik dit eerste vriendje tegen bij de HEMA. Ik besteeg de trap richting het restaurant, gelegen op de eerste verdieping, of was het een spoedje richting het toilet? En prompt stond daar in vol ornaat hij die letterlijk was uitgedijd tot onmogelijke proporties. Hij droeg een trainingsbroek, waarschijnlijk omdat geen andere broek hem nog fijn zat, afgetrapte schoenen, een oud vies shirt, had een stoppelbaardje (die ik bij elke andere man woest aantrekkelijk vind, maar bij hem dus niet) en zag er wat verfomfaaid uit. Terwijl hij zijn best deed om heel stoer mijn telefoonnummer te noteren in zijn telefoontje, werd ik plots gewaar van het timide vrouwtje dat naast hem stond. En het koter, een meisje, dat moest doorgaan voor hun dochter.

Ik kan je niet zeggen, welk een opluchting zich van mij meester maakte op dat moment. Eigenlijk was ik blij voor hem dat hij toch iemand gevonden had die hem ‘verzorgde, voor hem schoonmaakte, en zelfs – al was het maar één keer – zich had laten verleiden.’

Nog blijer was ik, dat ik destijds al een heldere blik had gehad. En zo jong nog. En elke keer als ik van vrienden en kennissen hun relatieperikelen tot aan vechtscheidingen aan toe mag aanhoren, is opnieuw die opluchting daar.

Dat neemt niet weg, dat ik me af en toe flink zorgen maak over mijn eigen oude dag. Ik bedoel, alleen is maar alleen. Al zucht ik dan maar eens fijn dat er geen gekraai loeit als de was zich eens opstapelt, mijn diner bestaat uit voor mij lekkere dingen, en ik mijn katten volledige aandacht kan schenken, zonder gezeur over een plotseling opkomende allergie daarvoor.

Nog steeds denk ik, dat ik mijn leven bewuster dan onbewust zo heb ingericht en dat ik me in die single hoedanigheid gelukkig mag voelen. Waarbij alleen het schijnbaar onmogelijke mogelijk wordt…