Natuurlijk koos ik na jaren van niet-bezielend werk, voor die opleiding tot Kraamverzorgende. Het was voor mij de ultieme manier om er zeker van te zijn dat je na je werk de kersverse ouders kon achterlaten met zo’n blèrende en luiers-vol-ongein-vullende baby.

Want ik hield niet echt van de wat grotere kinderen. Ze vroegen me te veel. Ze ratelden maar door. Ze hadden fantasieën die ze absoluut niet aarzelden te uiten. Ze deden dingen. Stiekem. Ik weet het nog maar al te goed. Ik irriteerde me er toen aan.

En wilde zelf niets liever dan te vroeg volwassen zijn. Volwassenen hadden een magische uitwerking op me, want als ik eenmaal groot was… Ik zou iedereen gaan verbazen. Bovendien woonden er in de buurt ook niet veel meisjes, eigenlijk geen één. Dus mocht ik vaak op pad met die oudere broer en zijn vriendjes, en dat met name omdat ik niet gelijk die waterlanders vertoonde als ik weer eens van een schommel kletterde. Ze verwachtten een houding van me, en ik paste me daarbij aan.

Ik kon altijd geweldig babbelen. Honderduit. Tegen volwassenen. Kinderen hadden de nare gewoonte om me in de rede te vallen, als het ze te lang duurde. Kinderen waren eerlijk. Té eerlijk. Ik kon er maar weinig mee, toen ik zelf ook kind was. Ik verbaasde me altijd over die wat naïeve openhartigheid, maar misschien juist omdat dat me blijkbaar zelf ook met de paplepel was ingegoten. Men zegt wel vaker dat zulks triggert, omdat je er zelf het meeste last van hebt.

Maar ik hield wel van die kleintjes, die zo uit de baarmoeder waren geperst. Die waren nog knuffelig, lachten, en kon je uitzwaaien als ze moe werden of als mijn werkdag eenmaal voorbij was. Zoals ik al zei, zolang ik niet zelf aan dat huis in de Vinexwijk hoefde met man, koters en waarschijnlijk ook een hond, leek me dat beroep heel veilig.

Ik dacht dan ook altijd het te kunnen schoppen tot Verloskundige. Ik had een plan namelijk. Eerst maar eens Kraamverpleegkundige worden en dan doorgroeien naar beter.

Na de middelbare school solliciteerde ik dan ook bij twee grote ziekenhuizen in de buurt. Ik kwam door de schriftelijke sollicitatieronde, wat me verbaast achteraf. Mijn hele generatie bestaat immers uit mensen die ‘iets willen betekenen voor een ander’. En mocht mezelf komen voorstellen in een kennismakingsgesprek. En alweer was ik verbaasd dat mijn pure liefde en behulpzaamheid ten aanzien van de gehele mensheid niet als voldoende werd beschouwd.

Nee, zo’n commissie vraagt dóór, wat weet je van deze maatschappij? Wat en hoe denk je over bepaalde ontwikkelingen? En natuurlijk was het me als onnozele puber en nog puurdere atheïst niet zo heel helder dat ik solliciteerde bij vrome en Katholieke instellingen. Ik kreeg dus die twee afwijzingen, na wat zenuwslopende dagen te hebben gewacht.

Nu, jaren later, kan ik daarop wat grinnikend terugkijken. Ik ben nog steeds dat kind gebleven, want ik werd eigenlijk nooit volwassen. Als je goed kijkt, ben ik zelfs kindser geworden. En besef nu, dat ik juist nu heel erg kan genieten van de nabijheid van kinderen, juist vanwege die eerlijkheid en dat naïeve.

Soms vraag ik me af, of ik in mijn 50ste levensjaar iets daarvan heb teruggevonden. Iets wat ik als kind misschien nooit had. What the heck? Ik doe mijn fasen gewoon in andere volgorde. Stiekem.