Hoe raar vind ik het dat je steeds weer leest dat mijn oude beroep niet meer bestaat. Ik noemde mezelf natuurlijk die laatste jaren trots Management Assistente, maar na heel wat maandagen zo’n vijf à zes vergaderingen te hebben genotuleerd, kan ik daar nu nog maar wat blij om zijn. Ik weet nog dat ik er bij mijn wat zakelijke managers altijd al op aandrong dat doodgewone besluitenlijstjes best zelf konden worden getypt dan wel bijgehouden. Ik was van het slag, die altijd trachtte een ander her op te voeden. Dat werd me overigens niet altijd in dank afgenomen, getuige de vele tijdelijke contracten die ik kreeg, waarna verlenging niet plaatsvond. Volgens mij zijn de detacheringsbureau’s nu nog florerende van mijn spectaculaire carrière destijds.

Mijn curriculum vitae is een klassieke jojo-Erlebnis. Ooit schaamde ik me daar ietwat voor. Tegenwoordig weet ik wel beter. Die ervaring en veelzijdigheid die ik in de loop der jaren heb opgebouwd, dat zorgt er nu voor dat ik over veel onderwerpen kan meepraten. Enigszins. Het heeft wel wat wringende voeten in de aarde gehad eer ik me dat realiseerde. Het is tegenwoordig typisch iets wat je die ander kan aanbevelen: doe iéts, maakt niet uit wát, je leert er altijd weer van. En veelzijdige mensen kunnen overal over meepraten. Altijd goed.

Zo maak ik me ook niet druk om jonge mensen die – these days – het hoogst haalbare nastreven qua opleiding en ambities. Ik denk dan altijd maar; over vijfentwintig jaar hoor ik wel waarom je dan liever in een tuincentrum de dode blaadjes eraf haalt en mensen adviseert hoe een aureool gezien vanaf de bovenkant van bloemen je zo intens gelukkig kan maken.

Hot damn, ben een late leerlinge dat ik dit soort wijsheden verkondig, nu dat ik bijna de vijftig heb gehaald. Zou het dan toch gaan beginnen, eerdaags, dat léven?