Onderhuids kriebelt het. Ik wist dat deze dag ging komen, de dag dat je weet dat je dat ruimen niet langer kunt uitstellen. Want, kasten vol met colbertjes, die ik zodra ik ze aanraak, herinneringen aan een vergane-glorie-carrière herbergen. Met elke aanraking aan zo’n jasje kun je weer geduchte scènes uit het verleden oproepen. Die memoires daaraan gaan vaak zo diep, dat ik het ruimen toch maar weer een ‘weekje’ of wat uitstel. Want, wil ik dat verleden dan nu eindelijk kwijt? Zou ik dan zelf niet verloren lopen?

Een boekenkast in een overvolle logeerkamer, die nu breed staat te zijn en uitpuilt, met boeken waarbij ik bij mezelf soms hervond en die ik reeds lang geleden gelezen heb. Ik zou ze zo kunnen plaatsen in onze gezamenlijke boekenkast van de VvE of weg kunnen geven, in de hoop dat die ander er ook iets aan heeft.

Ik verzamel ook van die kleine ‘nietsjes’. Je weet wel, van die plastic dingetjes waarmee je zo handig snoeren bij elkaar kunt houden, zelfs spijkers en schroeven. Ik verzamel gereedschap. Wat huist in een gigantische kast die ik van lelijkheid graag zou willen kunnen negeren of beter; vervangen door iets mooiers. Maar ja, het is maar een kast. Hij kan er ook niets aan doen, de lellebel.

En als ik dan nog eens kritischer rondkijk in mijn huisje, dan mogen die plafonds ook wel eens gewit worden. Zomaar, omdat ik nu besef dat de laatste keer toch minstens éénentwintig jaar geleden was. En die muur met die antraciete kleur, die neigt me tot depressiviteit te brengen. Grijs doet dat met me, blijkbaar. Plots weet je dat het anders kan. Anders moet.

Ach, di mama roept het al jaren. En mijn antwoord is stelselmatig, dat ik als creatief mens he-le-maal geen rommel heb liggen, want dat zijn immers allemaal ideeën, waar ik nog iets mee kan en moet.

En zo weet ik, dat mijn hart paniekerig protesteert als ik bij voorbaat al concludeer dat ik die ultieme chaos kan voorkomen door er wat aan te doen. Ondertussen fluistert mijn brein me in, dat mijn hart nog wel een extra weekje uitstel verdient…