Schrijven. Ik wil het. Ik wil het kúnnen bovenal. En iedere keer zet ik me aan een toetsenbord, en schrijf n.i.e.t.s. Terwijl er toch een cursor geduldig knippert, zodanig dat ik er half neurotisch van word.

Ik verbeeld me, dat ik te veel moet loslaten. Perikelen uit het dagelijks leven. Je kent ze wel. Alsof je eerst je kop moet uitschudden – alsof je een kat bent na een onverwachte douche – om pas dan die andere dimensie te kunnen betreden. Eindelijk schoon.

Alsof die andere dimensie vergt dat je loslaat. Al was het maar voor even. Of dan tenminste een soort van helicopter view aantrekt – soort van Tinkerbell’s zweven daarboven – wat al je snode menselijke trekjes vervaagt. Die dimensie vind ik wel – meestal ’s nachts in het pikkedonker – als ik de eerste paar uur heb geslapen. En blijkbaar daardoor de nodige shit heb verwerkt.

Pas dan weet ik weer, wat ik vanwege mijn stille aard overdag niet kon zeggen, maar al wel wist.

Ik schrijf omdat ik niet weet wat ik denk, totdat ik lees wat ik wil zeggen

Dat schrijven moet me een klein beetje angst aanjagen, omdat dat mijn moed vergoelijkt. Alsof je voor jezelf een pad baant, dat je vertelt dat alles oké is, en als het niet oké is, dat nooit het einde betekent. Louter een nieuw begin…