De lift haperde. Op elke verdieping stokte hij en opende de deur. Ik werd daar een beetje kriebelig van en claustrofobisch bovendien. Halverwege dacht ik, genoeg, en stapte uit. En stond voor de keuze, of terug naar mijn penthouse, die behalve veel wind ving ook nog eens en minstens achttien maal twaalf treden terug naar boven, of naar beneden, betekende. Ik koos ervoor toch eerst boodschappen te doen, en te bidden voor een herstel van liftkuren op de terugweg.

Ik ben alleen niet zo’n held op een trap. Vooral niet naar beneden, hoogtevrees noemt men dat. Ik houd me vast aan de leuning alsof ik ieder moment verwacht naar beneden te tuimelen. En vrees het moment dat iemand me rennend voorbijstreeft en per ongeluk in zijn snelheid een duwtje geeft. Dat gebeurde natuurlijk. Een wat oudere man waagde het me voorbij te racen. Hij stond echter plots stil daar beneden en keek naar mij, op de trap.

‘Gaat alles goed met u?’

‘Nu ik adem nog, dus dat betekent dat ik leef?!’ was mijn enigszins cynische antwoord.

Hij schrok daarvan, maar liet zich niet kennen.
‘U moet sporten, deze situatie meester worden, dat kan alleen als u oefent.’

‘Ik weet!’

‘In de kelder van dit complex is een fitnessruimte, daar kunt u gebruik van maken, elke dag!’

‘Ik weet!’

‘Het gebruik van die ruimte is gratis, weet u?’

Ik wilde zijn dag niet vergallen door te stellen dat het gebruik van de fitnesszaal waarschijnlijk in de prijs van de huur inbegrepen was, dus antwoordde ik opnieuw:
‘I know!’

Hij strekte zijn arm toen ik eenmaal vaste grond op de verdieping daaronder voelde. En nam mijn tas aan, een tas vol lege flessen die mijn erbarmelijke staat als beginner in het alcoholisme bewees. Terwijl we zo de rest van de trappen naar beneden namen, zweeg hij.

Ik deed mijn boodschappen, en dankte God op mijn blote knieën dat de lift weer normaal functioneerde toen ik terug naar huis wilde.

De volgende ochtend, 5 uur, op de seconde af, hoorde ik een schelle toon. Ik was net een uur of anderhalf in diepe slaap. Ik checkte mijn wekker, maar die was het niet. Vervolgens mijn telefoon, maar ook die was het niet. Half slaperig drong het tot me door, dat het wel de voordeurbel moest zijn. Dus sleepte ik mezelf uit bed, en kroop zowat richting de voordeur. Ik checkte het spionnetje, maar zag alleen iets wat leek op een vlok donker haar, dus moest ik de deur wel openen.

‘Goedemorgen!’ knalde hij eruit met een kracht alsof je op dit tijdstip daar echt blij mee moest zijn,
‘Zullen we samen gaan trainen in de fitnessruimte nu?’

Nog enigszins verdwaasd en in een poging wakker te worden, was mijn antwoord: ‘Wát zegt ze?’

De man wees naar zijn horloge. ‘Ik heb tot 8 uur om te fitnessen. Daarna moet ik naar mijn werk. Dus kunnen we nog mooi tweeënhalf uur aan de slag.’

Ik moet hem aangekeken hebben, alsof ik water zag branden. Tegelijkertijd vroeg ik me af, of hij wel spoorde.
Enigszins geamuseerd keek hij me met een donkere blik aan, alsof hij wilde zeggen dat hij heus niet iedere buurman of buurvrouw op deze étage om 5 uur wakker belde met de vraag te gaan sporten.

Dus zei ik: ‘Ik moet me wel eerst aankleden.’ Als vrouw kun je altijd dat excuus gebruiken om tijd te winnen. Als blijkt dat die tijd niet toereikend was, kun je altijd nog aanvoeren dat je de juiste paar schoenen niet kan vinden.

Waarop zijn antwoord was dat hij wel even in de gang zou wachten tot ik klaar was.

Ik kleedde me aan, zo traag als ik kon. Nam een paar slokken ijskoud water, spoelde ik mijn ogen er ook maar mee uit, nog half in die verrotte slaaptrance die ik was.

Na een stief kwartiertje meldde ik me weer bij de deur. Hij stond er nog. Samen gingen we naar de fitnessruimte beneden en leerde hij me diverse oefeningen die ik nog nooit eerder deed. Nadien douchte ik, deed mijn ding gedurende de dag. Ging opnieuw naar bed, zo rond een uurtje of 3 ’s nachts.

Tot de volgende ochtend opnieuw die deurbel schetterde klokslag 5 uur.

Ik schrok wakker. Was het een nachtmerrie geweest of toch niet?