Ooit nam ik me voor: ik word een auteur, ik ga boeken schrijven. Het hoeft niet zo verdomde intellectueel te zijn, allemaal. Het mag ook luchtig en vrolijk. Het mag wat mij betreft zelfs een chicklit zijn. En natuurlijk ben ik al aan menig verhaal begonnen. Fantasie te over hier.

Er zijn van die dagen dat ik pagina’s vol schrijf. Ofwel met een vulpen, ofwel als een of andere zotte typegeit die de oorlog verklaard heeft aan die continu knipperende cursor.

Tot zover geen moeite mee dus.

Tot ik mezelf de volgende dag aan datzelfde verhaal wil zetten, en de dag daarna. En al die dagen die weer daarop volgen. Het verhaal stokt. Of ik herlees het verhaal en zie precies waar ik ben gestopt en weer verder gegaan. Het is alsof er stilzwijgend een andere sfeer inkruipt. En dat kan natuurlijk niet, in mijn perceptie.

Ergens is het toch wel logisch, want geen dag is voor mij hetzelfde. Qua temperament. Of qua sferische omstandigheden. Ik zou dus voor het mooie elke dag opnieuw in dezelfde huid moeten kruipen, proberen weer dat moment en de sfeer te vangen waarin ik was toen ik eraan begon.

En ik vraag me nu af, of andere schrijvers ook datzelfde euvel ervaren, zeg maar?

Ik weet niet, of het die ander zou opvallen als zij het manuscript doornemen. Ik heb nog maar één keer de moed gehad om een van mijn schrijfsels in te sturen voor een wedstrijd. En zoals men toen vooraf al waarschuwde, kon het zijn dat je er niets meer van hoorde. Sindsdien kijk ik de kat nog even uit de boom. En twijfel ik. Meer. Vaker. Steviger. Ik denk zelfs dat die twijfels zo langzamerhand de hoogte van de Mount Everest hebben bereikt. Het overstijgt zelfs mijn animo om nog een leuke blogpost neer te zetten.

Natuurlijk denkt elke lezer nu, dat ik ongegeneerd aan het vissen ben naar complimenten. Want ik besef maar al te goed, dat mensen die op complimenten leven dringend aan een dieet moeten. Al is een klein complimentje zo af en toe dan wel weer die verbale zonneschijn, waar ik zo intens naar kan snakken…